Algoritmes op social media: om stenen kloten van te krijgen, nee? En toch, wanneer ik schijt begin ik eraan, want ik ben te lui om te ont-Googlen en ont-Zucken, maar te onbelangrijk om daar de gevolgen van te dragen. Dus hoppa. De ene hersenhelft focust zich licht verdwaasd op het krochen, de andere evenzeer verdwaasd op het scrollen. Scrollen boven mijn drollen, zoals ik las in de laatste Dimitri Verhulst. Met een glazige blik en dwaze grijns zie ik geadopteerde straathonden en al dan niet verdoken racistische commentaren onder krantenkoppen passeren.
Ik scroll dan voorbij een tekstje van een zekere Marijke Van Thielen. Nog nooit van gehoord, geen idee waarom Zuckerberg mij dit voorschotelde, maar wie Eckhart Tolle door het slijk haalt scoort punten bij mij, dus ik scroll terug om het te lezen. Het is een sterk geschreven stuk tekst, al te imposanter gemaakt met die zwart-witfoto erbij. Het zorgt voor een gewichtige uitstraling die wat weg heeft van Albert Camus en Tom Waits. Een bandshirt, een sigaret, en een afstandelijke maar niet te ijzige blik richting de camera. Een sterk doordacht nepprofiel, hoor ik mezelf nog denken. De skepticus in mij is nooit ver weg.
Het persen gaat goed en de stronk is lekker solide. De gsm verdwijnt in mijn broekzak. Vegen vergt weinig papier. Mooi. Ik eet genoeg vezels. Onmiddellijk vergeet ik wat ik gelezen heb. Maar het kwaad was geschied. Dat mijn scrollpatroon even aarzelde en dat ik las was voldoende. Het algoritme. De volgende dagen krijg ik bij het schijten alsmaar meer tekstjes en berichtjes van Marijke Van Thielen te zien. Verdekke, ze kan schrijven. Verdekke, dat is misschien toch geen AI-account. En verdekke, ze dweept met net dat soort gedachtegoed waar ik een zwak voor heb. Schopenhauer, Cioran, Benatar, Ligotti en nog meer van die trieste zageventen waarvan ik pagina’s citaten heb bijgehouden.
Met een vreemde mix van anticipatie en tegenzin koop ik haar boek. Interesse heb ik zeker, maar 25 euro voor 96 pagina’s viel me zwaar op de maag. Daar kwam dan nog eens 8,50 euro bij ter verzending, en dat bleek dan enkel een gewatteerde envelop te zijn die weinig bescherming bood, want het boek kwam nog steeds gekreukt aan. Nu goed, iedereen moet eten, en Uitgeverij Fagus blijkt een eenmanszaak te zijn dus van volume zullen ze het wel niet halen. Dus had ik 33,50 euro neergelegd voor een verkreukt paperbackje van 96 pagina’s. Dan kan ik er maar beter een blogpost uit halen.
Wanneer het boek arriveert lees ik het in één ruk uit. Een kleine twee uurtjes duurde dat, maar de leek in dit gedachtegoed doet dat wellicht best rustiger aan dan ik. Dat het een verzameling essays was wist ik, maar meer niet. Het boek is, of lijkt op, een soort verslaggeving van mevrouw Van Thielens rouwproces. Ze heeft wel wat meegemaakt en, hoe kan het ook anders, dat kleurt de wereldvisie. Iedereen probeert natuurlijk betekenis te geven aan zijn miserie. Godsdienst, filosofie, de bodem van een pint of het uiteinde van een naald. Wanneer dat allemaal niet marcheert ga je maar aan het kweken om die mid-life crisis te doorkomen. Dat de volgende generatie het vraagstuk maar oplost, lijken de mensen wel te denken.
Of, en dat is net de andere optie waar Van Thielen zich achter schaart, je ziet onder ogen dat er helemaal geen betekenis is, nooit was, nooit kon zijn. Betekenis is Sinterklaas voor volwassenen. Er is enkel willekeur. We zijn zakken vlees, verzamelingen atomen en moleculen die onderworpen zijn aan de natuurwetten en meer niet. Leven is een glitch in de kosmische matrix. In dat soort kader pent Van Thielen haar levensblik neer, hier en daar bijgestaan met anekdotes, stukjes maatschappijkritiek, en citaten van de grote pessimistische denkers waar ze hier in Vlaanderen de kriebels van krijgen. Je moet maar eens blindelings onze radiozenders afgaan. Die zijn niet uit elkaar te halen. MNM, Radio 2, Joe, StuBru, … Dat is één zootje flauwe optimisten die heel de dag vrolijk schuimbekken aan hun microfoon. Een sec discours past niet in onze cultuur. Daar hebben we destijds ook Canvas voor uitgevonden, een aparte zender waar niemand naar keek. Laat ons maar zappen van de ene sitcom naar de andere. Vóór het doomscrollen was er doomzappen.
Ik kan niet meer zeggen over de inhoud zonder die groot onrecht aan te doen. Van Thielen heeft haar ellende en rouw in een sterk geschreven bundel gegoten waarmee ze filosofisch echter geen nieuwe paden bewandelt. Het geheel is eerder een wegwijzer doorheen die paden, en een verantwoording waarom zij ervoor koos net die paden te bewandelen, en waarom de mistroostigheid een troost kan zijn.
Zij Nam Het Vlees van Marijke Van Thielen is een rauwe persoonlijke neerpenning. De rode draad is aan de ene kant de ellende, de ellende die we allemaal kennen en die ons allemaal verbindt. Aan de andere kant de onoverkomelijkheid van die ellende en van ons bestaan. Een warme aanrader, zeker voor wie kan genieten van literair gezaag en de filosofische ontmanteling van mens en cultuur. De prijs is echter allesbehalve democratisch, en nu al is duidelijk dat Uitgeverij Fagus de grote vraag niet kan bolwerken. Waar zit dat ebook?
Zij Nam Het Vlees, verkrijgbaar bij Uitgeverij Fagus
Space horror is een evidentie. Een cruciaal element voor succesvolle horror is namelijk claustrofobie; de personages afzonderen. En waar is men meer afgezonderd dan in de ruimte? Fans hongeren ernaar, en nochtans krijgen we maar zelden nieuwe films in dit subgenre. Toen ik dus toevallig op de psychedelische, met neon overgoten trailer stuitte van Ash, was ik meer dan enthousiast. Wat kon regisseur Flying Lotus bereiken met zijn bescheiden budget van slechts een half miljoen dollar? Verrassend veel.
Het concept hier is niet uniek. Een jonge vrouw wordt wakker op een verlaten ruimtebasis. De lichten zijn uit. Alles ligt vol bloed, vetzakkerij, en de lijken van de andere bemanningsleden. Ze herinnert zich niets. Wie nu denkt, tiens, die film heb ik al gezien, dat klopt! Vergelijkingen met onder andere Pandorum of Dead Space liggen zowel visueel als inhoudelijk voor de hand. Dat is een beetje de rode draad hier. Flying Lotus probeert niet het warm water uit te vinden. Hij beseft goed op wier schouders dit subgenre vandaag rust. Films als Event Horizon, Sunshine, Life, en The Thing, allemaal stuk voor stuk geliefd door de fans. Flying Lotus maakt zelfs knipoogjes naar Alien en 2001: A Space Odyssey. Hij steekt met andere woorden zijn liefde niet onder stoelen of banken, integendeel, hij etaleert juist waar hij de mosterd is gaan halen. Voor sommigen is dit misschien storend. Als medefan van al die films vond ik het net innemend.
De film reduceren tot een afkooksel zou dus onterecht zijn. Ash is een bloemlezing in een stilistisch modern jasje. Dat is wat de film uniek maakt. De neonkleuren geven de film een kleurenpalet dat kan wedijveren met Suspiria. Recentere vergelijkingen uit de laatste tien jaar met o.a. The Colour Out Of Space, Annihilation, Mandy, en Glorious zijn ook op hun plaats. Idem wat sound betreft, Ash moet hierin niet onderdoen. De film is doorspekt met synthesizerbeats zoals we die kennen uit bijvoorbeeld de Halloween-films van John Carpenter. Flying Lotus creëert zo een atmosfeer die wat weg heeft van een arthouse muziekvideo. Ik moest denken aan Blood Machines en andere werken van de Franse darksynthartiest Carpenter Brut.
Audiovisueel een uitblinker dus, maar wat dan met de inhoud? Er is weinig aan te merken op de acteerprestaties. De personages zijn flinterdun, maar flinterdun is hier op zijn plaats. Wie Dostojevski had verwacht, heeft nog veel te leren. Het plot is niets nieuws voor wie nog meer claustrofobische ruimtefilms heeft gezien waarin isolatie en paranoia de thema’s zijn. De film is kort, maar schiet structureel toch enkele kemels. De tweede act sleept wat lang aan, en dat is wel een prestatie voor een film die slechts 95 minuten duurt. Ash mocht korter zijn en kon gereduceerd worden tot een aflevering voor televisie. Dat, of het had meer vlees nodig om de 95 minuten te rechtvaardigen. Niettemin is het doorbijten van die tweede act de moeite waard. De derde act lost veel verwachtingen in.
Acteurs Eiza González en Aaron Paul spelen de hoofdrollen.
Kortom, Ash speelt alles qua plot volgens het boekje, maar meer dan iets anders is de film een audiovisuele beleving. Ash is een stemming. Het is een vibe. Ambiance. Zonde dat deze niet in de bioscopen te bekijken is. Twijfel niet. Deze gaat recht in mijn favorieten.
Regisseur Fede Álvarez blies in 2013 de horrorwereld van haar sokken met Evil Dead, een perfecte reboot van de klassieker uit de jaren tachtig. In 2016 deed hij het opnieuw met de originele horrorthriller Don’t Breathe. En nu in 2024 maakt hij de hattrick met Alien: Romulus, de sterkste vertoning van de xenomorph in vele decennia.
De Alien franchise heeft altijd enkele grote gelijkenissen gehad met het cyberpunk genre. Naast het high-tech en low-life aspect, is het échte monster namelijk onzichtbaar, alomtegenwoordig, maar niettemin menselijk. Het zijn enorme bedrijven die enkel uit zijn op winstbejag en uiteindelijk proporties aannemen die globaal en zelfs intergalactisch kunnen worden, bedrijven zoals Omni Consumer Products in RoboCop of Tyrell Corporation in Blade Runner. Zij reduceren de mens tot grondstof en moraal tot een obstakel. In Alien heet dat bedrijf Weyland-Yutani. Zonder al te veel prijs te geven: dit is hoe we de personages eerst leren kennen. Deze twintigers leven onder het tyranniek bewind van Weyland-Yutani en grijpen een kans om hieraan te ontsnappen, maar de sukkelaars komen daardoor snel in contact met facehuggers en xenomorphs. Van de regen in de drup.
De cast is fantastisch. Vooral de veelgelaagde broer-zus dynamiek van Rain (Cailee Spaeny) en Andy (David Jonsson) brengt heel wat ziel in het verhaal en maakt dat Spaeny de grote schoenen van de legendarische Sigourney Weaver meer dan vult. Ook visueel is de film adembenemend. Álvarez benadrukt echt dat dit verhaal zich afspeelt in de ruimte, toont het publiek prachtige vista’s, en hanteert astrofysica creatief voor het plot.
Eigen aan iedere monstersequel is dat je er iets nieuws mee moet doen. Soms zijn de resultaten geweldig, en dan krijg je bijvoorbeeld de T-1000 van Terminator 2. Soms gaan de schrijvers echter wat te ver en dan krijg je de vliegende piranha’s uit Piranha 2. James Cameron deed het destijds in Aliens geweldig met de introductie van de xeno-koningin en de sociale structuur die doet denken aan mierenkolonies. Andere Alien films kwamen met minder interessante uitbreidingen op de proppen. Álvarez voegt twee grote zaken toe aan de franchise in Romulus. De eerste: geweldig. Eindelijk een antwoord op de vraag wat er gebeurt in die voorheen vage fase tussen chestburster en volgroeide xenomorph, en het antwoord is thematisch ook helemaal passend. Zijn tweede toevoeging is op zijn minst interessant en visueel spectaculair, maar ik weet niet zeker of het een meerwaarde is. Dat laatste is het enige minpuntje dat ik kan aanduiden, en meningen hierover zullen verschillen.
Alien: Romulus is een terugkeer naar de roots voor de franchise. Weg zijn de pseudo-intellectuele mijmeringen uit Prometheus en Alien: Covenant, wat uiteindelijk enkel maar bizarre pogingen waren van een ijlende Ridley Scott om het werk van James Cameron teniet te doen en de franchise in de creatieve zin terug te grijpen. Álvarez daarentegen put inspiratie uit en brengt hulde aan al zijn voorgangers, en franchisekenners zullen met tevredenheid vaststellen dat de onsamenhangende verhaallijnen van de vele vorige films eindelijk door Romulus met elkaar vervlochten worden. Kortom is Alien: Romulus gewoonweg een aanrader en een must-see voor zowel kenners als leken van de franchise. Bekijk de trailer hieronder.
De zomer is gearriveerd, en des te meer de zon door het zwerk breekt, des te meer teister ik mijn medemensen met het aanzicht van mijn kuiten. Melkflessen worden ze wel eens genoemd, en op de rechterfles prijkt al enkele jaren een tattoo, de enige op mijn lichaam. Het zwoele weer brengt mij dan ook vaak de dwaze vraag die deze pagina betitelt. ‘Waarvoor staat dat?’ of ‘Wat betekent het?’ en niet onregelmatig ‘Is dat een rune?’
Toen ik ongeveer twintig was kwam ik voor het eerst in aanraking met Berserk van wijlen mangaka Kentaro Miura († 6 mei 2021), via de animereeks uit 1997. Het was, en is nog steeds, het diepstrakende animatiewerk dat ik ooit heb gezien. De anime is een schermvertaling van de Golden Age Arc uit de Berserk manga, en dit deelverhaal is een Shakespeareaanse tragedie van jewelste. Spoilers volgen hieronder, dus wie kan leest of bekijkt de reeks best eerst zelf. Maar wees gewaarschuwd, het is geen verhaal voor tere zieltjes.
Berserk is het verhaal van Guts, of in het Japans Gattsu. Hij wordt geboren uit het lijk van zijn opgehangen moeder, en de zuigeling wordt dan door een groep huurlingen geplukt uit de modder. Zijn pleegvader Gambino voedt hem liefdeloos op als kindsoldaat. Na een jeugd vol gevaar en misbruik, doodt hij als tiener Gambino uit zelfverdediging. Getraumatiseerd en met als enige troost zijn (veel te grote) zwaard, verlaat Guts het kamp.
Guts leeft enkele jaren als einzelgänger maar komt al gauw in aanraking met Griffith en zijn troepje huurlingen genaamd The Band of the Falcon. Hier vindt Guts voor het eerst in zijn leven een echte thuis en ontdekt hij wat het is om vrienden te hebben. Hier komt de essentie ook voor het eerst naar boven, de ware thema’s van Berserk en de boodschap die Miura ons misschien trachtte bij te brengen. Hiervoor moeten we duiken in de wereld van de filosofie, en met name die van Schopenhauer en vooral Nietzsche.
Berserk als tragedie
Filosoof en Nietzsche-geleerde Walter Kaufmann wijst in Oedipus Rex vijf thema’s aan die kenmerkend zijn voor de klassieke Griekse tragedie. We zien ze ook allemaal in Berserk. (NB: Manga wordt van rechts naar links gelezen.)
De protagonist is enorm onzeker. Guts twijfelt continu aan zijn plaats in de wereld en zoekt zingeving.
De vloek van deugden. Beslissingen onder invloed van deugden leiden tot catastrofes.
Gerechtigheid wordt in vraag gesteld. Bestaat het wel? De wereld is wreed.
Onvermijdelijkheid van de tragedie. Determinisme en fatalisme zijn grote thema’s in Berserk.
Berserk start achronologisch met de korte Black Swordsman Arc, een soort van flash-forward proloog waarin we een heel andere Guts te zien krijgen, een Guts van ná de Golden Age. Deze Guts is bitter en zijn teruggetrokken skepticisme uit de Golden Age heeft geweken voor teneergeslagen cynisme. Al het geloof en hoop in de wereld is weg. Hij is enkel uit op wraak. Door het verhaal op deze manier te structureren zit het fatalisme van de tragedie er al bij de eerste pagina’s in vervlochten: ongeacht wat er ook gebeurt tijdens de Golden Age, hoe mooi de vooruitzichten er ook uitzien, de lezer wéét al dat er een tragedie zit aan te komen en dat Guts de dieperik in zal storten.
Nietzsche zei ooit dat tragedies gaan over wat niet te genezen, onontkomelijk, en onvermijdelijk is aan het lot en karakter van de mens. Berserk toont ons precies dat soort fatalistische determinisme en geeft het een antropomorfe vorm met de vijf figuren van de God Hand. Guts is de protagonist die, ondanks alles en tegen beter weten in, zich tegen dat determinisme verzet en erop blijft hameren dat hij een vrij man is en zelf beslissingen neemt.
Schopenhauer en Nietzsche
Nietzsche las Schopenhauer voor het eerst toen hij 21 was, en dat wakkerde zijn vlam voor filosofie aan. Schopenhauer was dus van grote invloed op Nietzsche, en lof voor de tragedie vinden we bij allebei terug.
“… the purpose of this highest poetical achievement is the description of the terrible side of life.”
“The unspeakable pain, the wretchedness and misery of mankind, the triumph of wickedness, the scornful mastery of chance, and the irretrievable fall of the just and the innocent are all here presented to us.”
Arthur Schopenhauer, The World as Will and Representation
Schopenhauer vond zulke gruwelijke voorstellingen van het leven nauwkeuriger dan wat men vindt in andere literaire genres. Hij bewonderde het verwerpen van happy endings, die anders valse hoop en geloof in moraliteit zouden aanmoedigen. In werkelijkheid is dit namelijk zelden het geval. De tragedie is uniek in haar eerlijkheid en vrijheid van illusies. Zij dwingt ons het feit te confronteren dat de wereld niet geregeerd wordt door ‘het goede’, dat de natuur zich geen ballen aantrekt van de menselijke toestand, dat we geen controle hebben, en dat het leven gekenmerkt is door eindeloos antagonisme en conflict. Er is geen poëtische gerechtigheid. Geen happy ending of eindresolutie. Alles is naar de zak. Of zoals Guts het zelf zegt…
Dit brengt ons bij de paradox van de tragedie. Namelijk, wat maakt tragedies dan zo aantrekkelijk? Waarom zijn wij als mensen zo aangetrokken tot dit genre, als het tot niets dient behalve in ons gezicht te duwen hoe erbarmelijk onze toestand is?
“… we feel ourselves urged to turn our will away from life, to give up willing and loving life. But precisely in this way we become aware there is still left in us something different… that which does not will life.”
“At the moment of the tragic catastrophe, we become convinced more clearly than ever that life is a bad dream from which we have to awake… that the world and life can afford us no true satisfaction, and are therefore not worth our attachment to them… accordingly, it leads to resignation.”
Arthur Schopenhauer, The World as Will and Representation, vol. 2
Schopenhauer wijst erop dat de tragedie ons niet alleen tracht te tonen dat de wereld verschrikkelijk is, maar ook dat het deel van ons dat hieronder lijdt, niet alles is wat we zijn. Er is ook dat aspect van ons dat de wereld de rug toekeert, dat zich er gewoonweg bij neerlegt.
Wanneer we ons emotioneel investeren in personages, en die investering wordt daarna pijnlijk door een tragische gebeurtenis, dan zou Schopenhauer dat gezien hebben als een levensles. Onze emotionele investeringen zijn het gewoonweg niet waard, aldus Schopenhauer.
Maar hiermee zijn we nog steeds aan het patineren. Wij als lezer trekken namelijk zelden de conclusie dat het leven niet leven waard is. De helden in deze tragedies nog minder. Guts wordt wel vaker ironisch beschreven als ‘een man die te kwaad is om te sterven’ en ik, net als vele andere lezers, vinden Berserk en Guts’ wilskracht net inspirerend.
Schopenhauer zat ook vóór Berserk al met dit probleem. De helden uit de Griekse tragedies krijgen groot, onverdiend ongeluk te verduren, maar zij laten zich hierdoor niet kleineren. Hun wilskracht houdt aan. Zij keren met andere woorden de wereld niet de rug toe. Zij leggen zich er niet bij neer.
“Almost all [Greek tragedies] show the human race under the dreadful dominion of chance and error, but not the resignation these bring about which redeems us from them.”
Arthur Schopenhauer, The World as Will and Representation, vol. 2
Hoe is dat mogelijk? Hoe konden de oude Grieken, grondleggers van de tragedie, niet afweten van haar ultieme doel? Schopenhauers antwoord hierop is zwak. De oude Grieken, onderontwikkeld als ze waren, hadden gewoonweg het doel van de tragedie nog niet ontdekt. Schopenhauers conclusie dat de Griekse tragedie hierdoor ondergeschikt is aan de moderne tragedie was, zelfs in zijn tijd, ongewoon.
Ook al was Nietzsche enorm beïnvloed door Schopenhauer, en was hij net als Schopenhauer onder de indruk van de grootsheid van de tragedie, toch staan hun conclusies haaks op elkaar. Waar Schopenhauer het leven de rug toekeerde, en de Grieken als onderontwikkeld bestempelde, ging Nietzsche de andere kant uit.
Waar Schopenhauer zwakte zag, zag Nietzsche bewijs voor de gezondheid en kracht van de Griekse samenleving. Een samenleving die strijd en conflict omarmde, die zichzelf continu uitdaagde, en het tragische confronteerde zonder gelatenheid.
Het moderne daarentegen zag Nietzsche als fundamenteel ziek en cultureel en psychologisch achteruitgaand. Schopenhauers chronisch pessimisme was daar een zoveelste symptoom van. De echte waarde van de Griekse tragedie, zo vond Nietzsche, was verloren gegaan. En dit deels omdat ons begrip ervan was gecorrumpeerd door de moralistische wereldvisie van het christendom. Alles, waaronder ook kunst, werd gewikt en gewogen tegen de christelijke elementen van zonde, schuld, en kwaad. Hierdoor zijn we niet alleen de ware aard van de Griekse tragedie verloren volgens Nietzsche, maar ook de ware aard van het leven.
Hoe kon dát dan weer? Hoe konden mensen morele standaarden ontwikkelen die ertoe leidden dat het leven minder waard werd? Nietzsche wierp deze vraag op, en zo ook Miura in Berserk.
The Idea of Evil
In hoofdstuk 83 van de manga loopt Griffith ‘god’ tegen het lijf, of wat hij voor god interpreteert. Het is een wezen in de vorm van een gigantisch hart dat zich schuil houdt in de diepten van het collectief menselijk onderbewustzijn. Het stelt zichzelf voor als ‘het idee van het kwade’, en wanneer Griffith het vraagt waarom mensen zoiets afschuwelijks gebaard hebben, antwoordt het als volgt…
En laat ons dit even leggen naast een bekend citaat van Nietzsche.
“Man, the bravest of animals, and the one most accustomed to suffering, does not repudiate suffering as such; he desires it, he even seeks it out, provided he is shown a meaning for it, a purpose of suffering. The meaninglessness of suffering, not suffering itself, was the curse that lay over mankind so far.”
Friedrich Nietzsche, On the Genealogy of Morals
Hoe het ‘idee van kwaad’ (en tevens het christendom) werkt, zit dus volgens Nietzsche in deze vicieuze cirkel. We kunnen het betekenisloze leed niet aanvaarden, en dus geven we het betekenis door concepten als schuld en zonde te verzinnen. Maar zichzelf identificeren als een schuldenaar wekt ook weer meer leed op. Hoewel het dus het reeds bestaande lijden zin geeft, geeft het ook zin aan het toedienen van méér leed. Er ontstaat zo een positieve feedback loop waardoor leed gewoonweg ophoopt. Het christendom was hierdoor zo succesvol, omdat het de kwalijke toestand zin gaf alsook het verergeren van die toestand.
Maar dit was volgens Nietzsche niet het volledige verhaal. Het gaat bij het christendom niet enkel om zingeving, maar ook om afgunst, nijd, en een diep verlangen naar wraak. Nietzsche beschreef zo het ontstaan van de ‘slavenmoraal’. Het christendom is een voorbeeld van zo’n moraalbeeld.
Daarin gaan de machtelozen of ‘slaven’ wat ze willen hebben maar niet kunnen krijgen, omvormen tot zondes. Onmacht daarentegen wordt een deugd. Het is makkelijk om te vasten als je sowieso geen eten hebt. Vrijgevig zijn eveneens als je toch niets hebt om weg te geven.
Toch groeit er volgens Nietzsche bij de slaven wat hij ressentiment noemt, een diepe nijd die zich mettertijd gaat uiten in een verlangen naar wraak tegenover de meesters. Maar omwille van hun onmacht zijn ze niet in staat die wraak uit te oefenen, en worden ze creatief. Het concept van de hel wordt uitgevonden om de meesters te straffen in het hiernamaals, en zodoende het ressentiment te sussen.
Allemaal een illusie, zegt Nietzsche, hypocrisie, en het bewijs zit hem in dat concept van de hel. Als de slaven effectief vrij zouden zijn van de hoofdzondes, waaronder wraak, waarom halen ze dan toch genot uit het idee dat hun vijanden voor eeuwig zouden branden? Waarom hangt de clerus deze dreiging boven het hoofd van de mensen? Het vereist een vergevorderde vorm van creatief sadisme om iets te bedenken als de hel, of zoals we het zien in Berserk, het ritueel van de eclips.
Zelfoverwinning: Farnese
Dat brengt ons bij het Nietzscheaanse ideaal van zelfoverwinning. Na de Golden Age introduceert Miura een nieuw personage: Farnese de Vandimion. Zij is een klassiek voorbeeld van iemand met ressentiment en in het verhaal leidt ze zelfs een inquisitie op heksen en andere ketters. De allegorie met het christendom ligt er vingerdik op. Farnese is van adele komaf maar kreeg nooit aandacht en zit met onderdrukte emoties en een groot gevoel van onmacht. Dat leidt bij haar tot het ontwikkelen van destructief gedrag, waaronder pyromanie en sadisme. Als jong kind geniet Farnese al van de brandstapels op het erf van haar familie, en regelmatig gooit ze zelfs de eerste fakkel. Uiteindelijk wordt zij een van Guts’ eerste tegenstanders na de Golden Age en jaagt zij op hem in de overtuiging dat hij een ketter is, een figuur gelijkend op wat wij de antichrist zouden noemen.
Farnese is laaghangend fruit voor een auteur die op zoek is naar poëtische gerechtigheid. Ze is een voor de hand liggende antagonist die bij de ontknoping haar verdiende loon zou kunnen krijgen. Maar die weg slaat Miura niet in. Farnese groeit, leert om haar ressentiment te laten varen en wordt, geïnspireerd door Guts, gewoonweg sterker als individu. Zo vindt ze rust en échte kracht. Dit komt tot uiting wanneer de voormalige ketterjager haar geloof en de illusies van macht dat dat met zich meebrengt, achterwege laat.
Uiteindelijk leert ze zelf magie en wordt ze het type persoon dat ze enkele jaren eerder nog met plezier op de brandstapel gooide. Het is een schril contrast wanneer Farnese op de knieën gaat zitten voor de jonge heks Schierke en haar vraagt om haar te begeleiden. Dit is wat Nietzsche bedoelde toen hij sprak over de Übermensch; een persoon die zichzelf weet los te maken van het systeem rondom zich en zijn individualisme vindt. Ware kracht zit in individuele groei, in het juk der slavenmoraal van zich afwerpen.
Amor Fati
Terugkoppelend naar Schopenhauer en Nietzsche komen we bij het grootste verschil tussen de twee; de houding naar het leven toe. Zoals we zagen bij Farnese, ontstaat de moraliteit tussen goed en kwaad uit de psychologie van een individu, uit wat Nietzsche ressentiment noemt en een uiteindelijk verlangen naar wraak. De positieve feedback loop van de slavenmoraal heeft echter een eindpunt, de singulariteit van zonde, die het bestaan zélf als zondig ziet. De erfzonde dus. Dit idee zit cultureel zo diep ingeworteld dat zelfs Schopenhauer, een atheïst, erin slaagde een vorm van erfzonde te smokkelen in zijn beeld van de tragedie.
“… what the hero atones for is not his own particular sins, but original sin, in other words, the guilt of existence itself.”
Arthur Schopenhauer, The World as Will and Representation
Schopenhauer zegt dus zonder meer dat leed verantwoord is, want het bestaan an sich is zondig. Hierin zien we duidelijk het gecorrumpeerde beeld van de tragedie waar Nietzsche het al eerder over had. Het gaat hier om een conflict tussen onze moraal aan de ene kant en het aardse leven aan de andere kant.
Schopenhauer, en anderen die in de ban van de slavenmoraal zijn, zien dat het aardse leven onmogelijk kan voldoen aan hun moraalbeeld. Zij keren zich dus tegen de wereld en gaan het bestaan zien als iets kwaads. De waarde van het leven moet inboeten, zelfs verdwijnen, zodat de moraal kan zegevieren.
Nietzsche gaat de andere richting uit. Voor hem is er geen hoger goed dan de verheerlijking van het leven. Als onze moraal daarmee niet strookt, dan moet de moraal wijken. Het leven zelf is, bij gebrek aan een beter woord, heilig. Guts berispt Farnese dan ook wanneer ze onder aanval komen; ze gebruikt beter haar handen ter verdediging van haar leven, dan ze vast te klemmen ter gebed.
Schopenhauer beschreef het leven als een corvee, gekenmerkt door eindeloos conflict en afzien. Het is pijnlijk, irrationeel, en vluchtig. Nietzsche ging hiermee volledig akkoord en bewonderde Schopenhauers uitzonderlijke eerlijkheid. Waar hij niet mee akkoord ging was Schopenhauers waardeoordeel. Het leven is effectief miserie, aldus Nietzsche, maar het dient geliefd en omarmd te worden. Er moet zelfs voor gevochten worden. Dat is amor fati.
‘Dus wat betekent het?’
Die tattoo op mijn spierwitte kuit dan, wat daarmee? Aan het oppervlak gaat het natuurlijk om mijn liefde voor Berserk, en wie nog steeds een aanbeveling zoekt kan ik er maar op wijzen dat dit de enige tattoo is die ik heb.
Verder symboliseert het de houding waar ik mee streef in het leven te staan. Het is een nuchtere blik die vaak pessimistisch overkomt, maar ik hoop niet verwerpend. Het symboliseert mijn ongeloof in vrije wil, maar ook mijn geloof in het belang van proberen en verzet te bieden. Het staat voor persoonlijke groei, doorzettingsvermogen, en amor fati.
Maar goed, de volgende die mij de vraag stelt krijgt wellicht, net zoals zijn voorgangers, een intussen goed ingeoefende schouderophaling.
Een speciale bedanking aan Jonas Čeika – CCK Philosophy, die zo vriendelijk was mij toestemming te geven om inspiratie en zelfs rechtstreekse vertalingen te putten uit zijn video essay.
E-readers zijn zeker geen nieuwe technologie. De eerste modellen zijn ondertussen twintig jaar oud en mijn eigen Kobo Glo dateert van de zomersolden van 2013. Ik was dus toe aan een upgrade. Maar hoe overtuig je mensen om nieuwe e-readers aan te schaffen? Wat mij in 2013 over de streep trok was het frontlight, waarmee ik tot in de vroege uurtjes kon lezen zonder mijn ogen te mishandelen. Het heeft dus tot nu geduurd vooraleer ik heil zag in het vervangen van de Kobo Glo, vooraleer ik nieuwe functionaliteit zag opduiken die graaien in de portefeuille kon verantwoorden.
De Kobo Libra Colour met Stylus 2 en Notebook SleepCover. Totaalprijs: € 339,97.
De voornaamste reden natuurlijk is dat deze e-reader (samen met de Kobo Clara Colour) eindelijk kleur ondersteunt. Kleur e-ink bestaat ook al jaren, maar was enkel te verkrijgen bij de mindere merken. Kobo is nu de eerste grote marktspeler die zich eraan waagt, en ik zag dit als signaal dat de technologie misschien eindelijk de moeite waard is. Neem daar bovenop dat je met de Libra Colour ook (in kleur!) notities kan nemen, en dat aan een lagere prijs dan de daarop gespecialiseerde toestellen, en de keuze was in feite gemaakt.
Al die functionaliteit maakt dat de Libra Colour eigenlijk een allegaartje van allerlei bestaande producten is. Je kan er klassieke e-books mee lezen, maar de extra laag e-ink die nodig is voor de kleuren maakt het scherm veel donkerder. Wie de monochrome contrasten meer naar voren wil zien komen, gaat dus ook overdag veel meer het frontlight moeten gebruiken.
En dit werkt helaas ook in de andere zin. De Libra Colour is zeker in staat tot het lezen van bijvoorbeeld graphic novels, maar de kleuren zijn een pak fletser dan op papier of een klassieke monitor. Het lezen van oudere strips, die uiteindelijk toch bestemd waren voor een grauwer soort gazettenpapier, zal nog mooi lukken. Maar wie hoopt te kunnen genieten van moderne comics, vaak digitaal getekend en met knallende kleuren, die gaat teleurgesteld zijn in de pastelachtige output van de Libra Colour. Er is wel veel plezier in het doorbladeren van de catalogus en al die boekcovers in kleur te zien. De kleuren kunnen misschien ook beter tot hun recht komen bij het lezen van kookboeken of reisgidsen, maar dat is niet mijn type lectuur.
Vergelijking met de eerste pagina van ‘Watchmen’ van Alan Moore.
Ten slotte nog enkele woorden over de notitiefunctionaliteit. Of ik hier veel gebruik van ga maken weet ik niet, maar het is fijn dat het er is en dat het zo ver uitgebouwd is. De software kan bijvoorbeeld je handschrift herkennen en omzetten naar getypte tekst indien gewenst, en het ondersteunt ook het maken van diagrammen. Handig voor wie bijvoorbeeld een mindmap wil maken. De gespecialiseerdere digitale notitietoestellen zijn een pak duurder, en ondersteunen geen kleuren, maar ze hebben ook een veel groter scherm. Na amper twee minuten testen merkte ik al snel dat er bitter weinig bouwgrond is op de Libra Colour, dus notities spreiden over meerdere pagina’s zal nodig zijn. Noteren binnen in de e-books is dan weer wel prettig, maar daar heb je een stylus voor nodig die de aankoopprijs ook aandikt.
Samengevat ben ik tevreden met mijn aankoop, maar ik vermoed dat de Libra Colour slechts voor een beperkt publiek het ideale toestel is. Wie enkel klassieke e-books leest kan het evengoed houden bij een monochroom toestel; de prijs is lager en het scherm helderder. Fanaten van comics lezen beter op tablet. Wie veel notities neemt kan misschien beter door de zure appel bijten en een gespecialiseerder toestel aanschaffen want de extra schermgrootte zal welkom zijn.
Weet waar je aan toe bent. Ondanks dat Kobo zich op kleur e-ink heeft gestort staat de technologie duidelijk, en nog steeds, in zijn kinderschoenen. Ikzelf ben, net als de Libra Colour, óók een allegaartje en dus ben ik ermee tevreden.
Abigail is de nieuwste film van het trio Radio Silence, dat bestaat uit co-regisseurs Matt Bettinelli-Olpin en Tyler Gillett enerzijds en producent Chad Villella anderzijds. De voorbije vijf jaar heeft Radio Silence grote successen geboekt binnen het horrorgenre met de twee recentste Scream-films en Ready Or Not. Als grote fan van deze films, en van Melissa Barrera die na Scream ook in Abigail de rol van ‘final girl’ op zich neemt, móest ik deze dus zien.
Melissa Barrera, centraal en in focus, speelt Joey in Abigail. (Foto: Universal)
De film start met Joey (Melissa Barrera) die wordt opgepikt door de rest van het team. Frank (Dan Stevens) leidt het team en ze zijn allen ingehuurd om een meisje, Abigail (Alisha Weir), te ontvoeren. Haar vader is een machtig man en ze zijn dus uit op losgeld. De ontvoering verloopt vrij vlekkeloos maar al snel loopt er een en ander mis en gaan de koppen aan het rollen, de personages beginnen elkaar te wantrouwen, en ze gaan op onderzoek.
En hier trapt Hollywood voor de zoveelste keer in de valstrik van film en advertentiecampagne niet op mekaar af te stemmen, en daardoor valt eigenlijk de eerste drie kwartier van Abigail in duigen. De trailer en zelfs enkele posters geven het grote mysterie onmiddellijk prijs, en dit terwijl de film zijn uiterste best doet om drie kwartier lang de spanning naar de onthulling op te bouwen. De dramatische ironie die dit teweeg brengt slaat compleet de bal mis, en je zit dus gewoon te wachten tot de personages op dezelfde golflengte zitten als het publiek. Jammer.
De bijna complete cast van Abigail. (Foto: Universal)
Alisha Weir, Dan Stevens, en Melissa Barrera zetten schitterende prestaties neer en de rest van de cast hinkt niet ver achterop. Het voelt geenszins aan alsof er personages zijn toegevoegd louter om de liters bloed op te hogen, wat in horror wel vaker gebeurt. De ontknoping wankelt een beetje maar in feite is dit gewoonweg een leuke popcornhorror waarbij je af en toe goed kan lachen. Vergelijkingen met de eerdere film Ready Or Not, ook van Radio Silence, zijn niet onterecht.
Abigail is echt wel een uitstekende film. Wie wil griezelen én lachen kan deze maar best gaan kijken, en dan liefst zonder voorkennis. Bekijk geen trailers, wandel voorbij de posters in de bioscoop, lees geen andere recensies. Deze post is niet voor niets kort en vaag.
De trailer kan je hieronder bekijken op eigen risico.
Godzilla viert dit jaar zijn 70ste verjaardag. Hieperdepiep, hoera! De titaan zag in 1954 het levenslicht als metafoor voor kernwapens. Niet voor niets dus dat de king of the monsters ontsproot in het getraumatiseerde Japan, nog geen tien jaar na Nagasaki en Hiroshima, en dat zijn meest aangrijpende incarnaties steevast uit Japanse potgrond komen. Denk maar aan Shin Godzilla uit 2016 of Godzilla Minus One van het afgelopen jaar. Die laatste sleepte zelfs een Oscar in de wacht, een primus voor de franchise.
Godzilla Minus One won de Oscar voor beste visuele effecten.
Dit ontroerende Assepoesterverhaal kan echter niet doorgetrokken worden over de hele lijn. Zoals bij vele franchises kan een kat haar jongeren niet terugvinden in de warboel van licenties en rechten rondom Godzilla en zijn vele kaiju-costerren. Zonder ver uit te wijden hoeft u enkel te weten dat er vandaag de dag óók Godzillafilms komen uit Hollywood, die los staan van de Japanse, en waarin men de trend van een overkoepelend universum nastreeft. Godzilla x Kong: The New Empire is de vijfde film in het zogenaamde Monsterverse van Legendary Pictures, en ook in dít filmuniversum kunnen we intussen spreken van een gordiaanse knoop.
Nochtans is het concept achter deze film eenvoudig genoeg. Aan het einde van de vorige film, Godzilla vs. Kong, heeft Kong eindelijk een nieuwe thuis gevonden. Als laatste van zijn soort is hij echter hopeloos eenzaam. Goed, opzet van het hoofdpersonage is dus duidelijk: Kong heeft nood aan soortgenoten en sociaal gezelschap. Hij vindt die vrij snel, doch zij het onder tiranniek bewind van de Skar King. Hoppakee, onze antagonist! Simpel, toch?
Skar King, antagonist in Godzilla x Kong. (Foto: Legendary/Warner Bros.)
Was het maar. Regisseur Adam Wingard laat briljante momenten zien, scènes waarin ettelijke minuten aan een stuk gecommuniceerd wordt zonder dialoog, die mij bijvoorbeeld deden denken aan Primal van Genndy Tartakovsky. Maar Wingard kan zich blijkbaar niet bedwingen en onderlijnt telkens weer deze woordloze emotiewisselingen van de titanen met rotsaaie, menselijke personages die enkel een spreekbuis vormen ter expositie. Godzilla x Kong respecteert de intelligentie van zijn publiek niet en schuift overal dode momenten tussen om te tolken voor de kleinste gemene noemer.
Daarnaast is het inhoudelijk ook een farce. Kong moet een tand laten trekken en Godzilla vindt zijn gouden mandje in Rome. Bij de eerste confrontatie met de Skar King kan Kong hem in principe meteen de baas, wat het moeilijk maakt om ook maar enige spanning op te bouwen naar de ontknoping toe. Legendary heeft dit misschien zichzelf aangedaan door zo snel uit te pakken met Ghidorah en Mechagodzilla in vorige films, maar niettemin is een aap als antagonist toch wel een hele stap terug. De geloofwaardigheid moet inboeten. In feite voelt het aan alsof dit in oorsprong een standalone Kong film moest zijn, en men er nadien kost wat kost Godzilla heeft ingepropt om de ticketverkoop aan te dikken. Aap tegen aap, daar is een geloofwaardige film in te vinden. Aap tegen Godzilla hebben we in 2021 al gezien, en we weten hoe dat eindigt.
Maar het visuele natuurlijk. Godzilla x Kong is gewoonweg een prettig kleurrijke film. De beelden uit de thuiswereld van Kong zijn adembenemend en het kind in ieder van ons ontwaakt wanneer de titanen wereldmonumenten vernielen en met elkaar aan het worstelen gaan. Ongeacht wat voor brokkepap het plot ook mag zijn, niets zal dat veranderen. Verder introduceert de film ook een nieuw personage genaamd Trapper, een allegaartje van Steve Irwin, Ace Ventura, en Starlord. Een verfrissende aanwinst voor de cast.
Trapper, de tandarts van Kong. (Foto: Legendary/Warner Bros.)
Wie goesting heeft om gewoonweg enkele kaiju mekaar meppen te zien geven, die gaat aan zijn trekken komen met deze recentste toevoeging aan het Monsterverse. Met de juiste verwachtingen en het kritisch denkvermogen uitgeschakeld is Godzilla x Kong een aangename ervaring en zeker het bekijken in de bioscoop waard. Voor een monsterfilm met – naar het schijnt – meer diepgang, moeten we echter blijven wachten op de Japanse film Godzilla Minus One, die in onze bioscopen maar een beperkte release kende.
Ah, zondagvoormiddag, tien uur dertig. Op dat gulden tijdstip liggen de Johnny’s en Marina’s nog volop uit te kateren, zijn de mama’s en de papa’s clandestien begonnen aan de tweewekelijkse partij samsonseks, en lopen alle andere onverlaten, als ze al uit bed zijn, nog rond in hun peignoir. Ongetwijfeld laten over enkele jaren de bioscopen, net als de videotheken van weleer, reutelend het leven los en moeten zelfs de meest nostalgische zielen gaan toegeven dat ja, het effectief thuis beter is zonder het gekraak van chips, gegiechel van tienertrutten, en ander gezeik van de medemens waaraan men wordt onderworpen bij een cinemabezoek. L’enfer c’est les autres. Nee, zolang filmproducenten stug vasthouden aan dit stervend economisch model is tien uur dertig op zondagvoormiddag het laatste bastion van de cinefiel die niet kan wachten op een stream release. Zo gebeurde het dus dat vandaag, op de rustdag van Onze Lieve Heer, mijn wekker ging.
(Foto: Warner Bros.)
Goed, terzake. Denis Villeneuve legde enkele jaren terug in Dune: Part One het grondwerk voor de wereld die Frank Herbert decennia geleden al schiep in zijn boeken. Dune vertelt het verhaal van de adele familie House Atreides, die in een intergalactisch feodaal keizerrijk het leen van de woestijnplaneet Arrakis heeft gekregen. In Part One diende het politieke schaakspel dat hiertoe leidde slechts als aanzet, maar in Part Two krijgt het een prominentere rol. Wanneer er een Part Three komt, zullen vergelijkingen met Game of Thrones niet veraf zijn.
(Foto: Warner Bros.)
Villeneuve doet nog steeds verbazen met adembenemende vista’s op Arrakis en wisselt vlot van kleurpalet voor enkele scènes op andere planeten. Sommige metaforen liggen er nogal vingerdik op, men kan er haast niet naast kijken dat de Harkonnens ruimtenazi’s zijn, maar het geheel moet er niet voor onderdoen. Integendeel, de monochrome betonnen look die Villeneuve geeft aan de planeet Giedi Prime onderlijnt als het ware het natuurlijke blauw en oranje van Arrakis.
Een blik op Giedi Prime. (Foto: Warner Bros.)
Wie Part One echter een trage kwelling vond, zal hier geen soelaas vinden. Villeneuve kiest ervoor om de personages te laten ademen, wat maakt dat de film inhoudelijk vaak patineert in het zand. Protagonist Paul Atreides, gespeeld door Timothée Chalamet, vindt in Part Two zijn weg en sluit vrede met wie hij is, maar toch gaat dit ten koste van een stevige brok menselijkheid. Zowel Paul als zijn moeder Jessica, gespeeld door Rebecca Ferguson, lijken verder weg en nemen heel gecalculeerde, bijna mechanische beslissingen. De film geeft hier verklaringen voor maar dat maakt het meeleven met hen niet makkelijker. In feite is het Chani, gespeeld door Zendaya, die de show steelt. Jammer voor een film die de focus zo hard probeert te leggen op de personages.
De relatie tussen Chani en Paul staat centraal in Part Two. (Foto: Warner Bros.)
Dune: Part Two neemt zijn tijd, als een schilderij in beweging, en is vooral een elixir voor het oog en de verbeelding. Een knallend laserfestijn hoef je dus niet te verwachten, al zijn zulke scènes er zeker ook, maar eerder een mijmerende parabel over de gevaren van onder andere kolonialisme en religie. Wat mij betreft krijgt een Part Three zeker groen licht, en dat we er deze keer liefst geen drie jaar op hoeven te wachten.
Gruwelijke fictie ligt in Vlaanderen en Nederland niet voor het rapen. Auteurs van eigen bodem worden ofwel aangetrokken door andere genres of laten zich verleiden door het Engels; de voornaamste wortels van horror liggen dan ook in de Engelse gotische literatuur. Dat maakt dat liefhebbers uit de lage landen vaak hun heil moet zoeken op het internet wanneer zij genoeg hebben gehad van Stephen King en Dean Koontz vertalingen. Op allerlei louche internetfora, Facebookgroepen, en chatrooms wisselen de miskweekten onder elkaar boek- en filmsuggesties uit.
Het lof dat Christopher Buehlman in die cybersteegjes kan opstrijken is niet te overschatten. Bij ons is hij nog onbekend, en zijn werk nog onvertaald, maar daar moet verandering in komen. Van de zes romans die Buehlman intussen heeft geschreven, heb ik er drie gelezen. Allemaal, stuk voor stuk, dikke knallers.
Auteur Christopher Buehlman
In The Necromancer’s House volgen we de magiër Andrew Ranulf Blankenship. Het is een man met diepe trauma’s die hij letterlijk probeert te verdrinken. Want wat doet iemand die kan communiceren met de doden? Juist ja, die blijft vast zitten in het verleden. De magiër omringt zich met allerlei golems en wezens die op een of andere manier aan de dood zijn ontkomen. Wanneer zijn ondode maîtresse, een rusalka genaamd Nadia, de verkeerde man vermoordt, komt de magisch Slavische mafia achter Andrew aan: Baba Yaga en haar cohorten. Buehlman neemt zijn tijd in dit boek maar weeft vakkundig een tapijt waarop langzaamaan meer en meer schaakstukken worden geplaatst. In de slotfase kookt deze roman plots over, en wat voorheen bijna leek op ennui transformeert in het smakelijkste soort chaos wanneer het titulaire huis wordt belegerd. Beeld je in dat Kevin McCallister (Home Alone) school liep op Zweinstein en je komt wellicht in de buurt van het soort wantoestanden waar Andrews belagers zich in storten. Het genre is donkere urban fantasy, maar enkele gruwelijke moorden maken ook het label horror toepasselijk.
Ik raad ten stelligste aan om het audioboek, ingesproken door Todd Haberkorn, te beluisteren. Haberkorn brengt de personages echt tot leven met zijn gebruik van dialecten en vreemde tongvallen. Een van de betere audioboeken die ik tot nog toe heb mogen beluisteren.
The Lesser Dead is rechter voor de raap. Gewoonweg horror. We volgen een groepje vampiers in het New York van de jaren 70, door de ogen van protagonist Joey Peacock. Het is moeilijk om het verder over deze roman te hebben zonder zaken prijs te geven. Fans van vampiers, en zo zijn er velen, zullen zeker genieten van dit werk. Qua plot was deze in mijn ogen minder vindingrijk, maar het vakmanschap komt naar boven in de stiel, in de pen van Buehlman. Je moet het boek gelezen hebben om te weten waar ik het over heb.
Mijn favoriete roman van Buehlman, die ik intussen al tweemaal heb gelezen, is Between Two Fires. Met als achtergrond het verschrikkelijke Frankrijk van de veertiende eeuw volgen we Thomas, ooit een ridder, en Delphine, een jong meisje dat heilig lijkt te zijn. Het volk toen dacht dat het eind der tijden nabij was, zoals beschreven in de Bijbel. De premisse van het boek is dus, wat als het volk effectief gelijk had? Lucifer en de andere gevallen engelen starten een tweede opstand door onder andere de pest los te laten op de aarde. Thomas loodst Delphine en Père Matthieu, een homofiele priester met een drankverslaving, door dit helse Frankrijk waar zowel duivel als engel hun slagveld van hebben gemaakt. De taferelen die volgen lijken rechtstreeks geplukt uit het geestesoog van Gustave Doré. Het boek deed mij hard denken aan de Japanse manga Berserk en de donkerdere aspecten uit The Witcher. Historische fictie met een stevige portie monsters, horror, en bijbelse allegorie.
Buehlman werkt momenteel aan een fantasytrilogie waarvan het eerste deel, The Blacktongue Thief, al is verschenen. Zijn andere romans zijn Those Across The Riveren The Suicide Motor Club. Dit is een man om in de gaten te houden, en het kan niet anders dan een kwestie van tijd zijn vooraleer zijn werken in het Nederlands verschijnen.
De zoektocht naar iets in de trant van Dimitri Verhulst bracht mij onlangs naar de debuutroman van Marnix Peeters, De dag dat we Andy zijn arm afzaagden, uit 2012. Een onversaagd absurdistisch epos dat de avonturen volgt van een jonge knaap genaamd Werner, de dames die hij schalkt, en zijn beer. Het is een sage van schaamteloze schunnigheid en vetzakkerij, en dat maakte het net zo smakelijk om lezen.
Als ik het inhoudelijk met iets moet vergelijken, dan misschien met een Urbanusstrip, maar dan wel eentje die niet aan banden is gelegd. Het lijden van de jonge Werner is de leidraad doorheen het verhaal. Nadat zijn moeder zich voor een trein heeft geworpen, werpt Werners vader hem bij enkele gekke wijven in een bos. Vanaf dat punt is Werner de facto een wees en wordt er continu van hem geprofiteerd. Hij probeert natuurlijk uit deze mesthoop van een leven te klauteren, maar dat maakt enkel dat de stront hem alsmaar dichter aan de lippen komt te staan. Zwarte komedie ten top.
Het duurt een tijdje vooraleer deze Vlaamse Ilias zijn kadans vindt, maar het loont om geduld te hebben. Gelukkig stopt Peeters een heerlijk archaïsch taaltje in de mond van zijn narrenfiguur Werner, en dit maakt het lezen van dat stroeve begin veel aangenamer. Wanneer je dan toch die laatste pagina omslaat kan je niet anders dan even achteruit leunen en fronzend denken: “Wat heb ik in hemelsnaam zonet gelezen?”
Ik weet het niet goed. Het plot, voor zover aanwezig, is uitermate bizar. De personages zijn karikaturen. Toch schrijft Peeters dit alles zodanig vermakelijk dat het niet alleen stand houdt, maar zelfs overtreft. Als er een les te trekken valt uit dit nihilistische relaas, dan moet het wel zijn dat men niet leeft maar geleefd wordt, dat het allemaal tot niets dient, en dat, als men geluk heeft, men met regelmaat eens kan vogelen op een niet-nuchtere maag. Het lijkt althans genoeg om Werner doorheen zijn godgeklaagde dagen te loodsen.