Onlangs vroeg ik aan mijn werkgever of ik mijn oude job kon terugkrijgen. De beleefde samenleving noemt zoiets een stap terug zetten of afstand nemen. Ik zeg dus liever: ge moogt nen andere zot zoeken. Het sop was gewoonweg de kolen niet meer waard. Maar goed, ze hebben het mij toch gegund en daar ben ik dankbaar voor. Concreet betekent dit dat ik binnenkort weer repetitief werk ga uitvoeren. Arriveren, de takenlijst printen, uitvoeren, en klokslag acht uur later weer vertrekken. Een tandwieltje in de grotere machine, in plaats van een aansturende processor.
Herhaling versus complexiteit
Onze samenleving stelt nuttigheid gelijk aan productiviteit, en productiviteit wordt dan weer vaak vereenzelvigd met constante prikkels, afwisseling, en cognitieve complexiteit. Repetitief werk is daarentegen geestdodend, of zelfs vervreemdend. Althans, zo beweren velen. Toch is het net de complexiteit die ik achterwege laat, in ruil voor dat zogezegd geestdodende. Wie is er hier dan de zot? zoudt ge dan terecht vragen.
Ooit solliciteerde ik als schoolverlater bij een kleine zelfstandige. Hij bekeek mijn cv en zag dat ik als jobstudent enkele jaren had gewerkt bij een broodjesfabrikant. Repetitief werk. Broodjes komen van de band. Een twintigtal broodjes gaan in de doos. Doos gaat dicht. Volgende doos. De man keek fronsend op van mijn cv en zei: “Aan den band staan, met uw studies? Ge weet toch da ge dom wordt van dat soort werk?” De ironie ontging hem volledig. Ik solliciteerde daar namelijk voor een job als cold caller. Telefoonnummer draaien. Praatje maken. Al dan niet een verkoop of afspraak regelen. Volgend telefoontje. Het is duidelijk enkel de stront van een ander die stinkt.
Zowel ervaring als onderzoek tonen nochtans aan dat herhaling verrassend positief kan zijn voor de geest, het mentaal welzijn, en creativiteit. Uiteindelijk deden onze voorouders ook niks anders dan uren aan een stuk stenen slijpen, manden vlechten, of akkers ploegen. Repetitie is de norm, de moderne kantoorjob de uitzondering. Bekend fantasy-auteur Brandon Sanderson bemerkte eens tijdens een college dat het wellicht metsers zijn die de meest geschikte job uitoefenen om het in hun vrije tijd tot schrijver te schoppen. Terwijl zij aan beperkte cognitieve belading stenen stapelen, kan hun brein de vrije loop gaan. Op zo’n momenten slaat de muze toe. Sanderson was bijlange niet de eerste die zo’n observatie maakte.
“The best time for planning a book is while you’re doing the dishes.”
Agatha Christie
Prestatiedruk, flow, en feedback
De voorspelbaarheid van een repetitieve job verlicht de geest, om na de werktijd nog hobby’s uit te voeren die wél cognitief belastend zijn. In mijn geval zou dat een goed boek lezen zijn, of een intellectuele film kijken. Die voorspelbaarheid zorgt ook voor een veiligheidsgevoel en stressvermindering. Dit is een groot contrast met huppelen van de ene kafkaëske meeting naar de andere, of de dag doorbrengen met het blussen van andermans brandjes. Repetitief werk dompelt je onder in een milde, laagdrempelige vorm van flow. Prestatiedruk is nagenoeg afwezig omdat de taak eenvoudig is, en moeilijk foutief uit te voeren. Ook al zou er een fout gebeuren, dan nog is de feedback onmiddellijk en is er dus direct kans om te corrigeren.
Om bij het voorbeeld van de metser te blijven: een baksteen ligt immers goed of scheef, en dit is onmiddellijk zichtbaar. Dat is anders bij complexere taken met vele stappen en meerdere betrokken partijen. Omdat de grenzen daar vaag belijnd zijn, ontstaat er makkelijk discussie of de taak al dan niet goed werd uitgevoerd. En als daar überhaupt al consensus over is, dan volgt nog de discussie over wie er exact moet gelauwerd of beschimpt worden.
Het repetitieve werk bevrijdt de geest. Men is betrokken, maar niet gespannen. Feedback op zulke uitgevoerde taken is zichtbaar, onmiddellijk, en niet voor discussie vatbaar. Het verstand is vrij om aan het dagdromen te gaan. Ook niet te onderschatten is het fysieke aspect. Hoeveel van ons zitten er acht uur per dag aan een scherm gekluisterd, om dan thuis te komen en nog enkele uren in de zetel te ploffen? De voordelen van een bewegend lichaam en een hoog cijfer op de stappenteller zijn ons allemaal bekend, en toch schieten velen van ons hier dagelijks te kort.
“All truly great thoughts are conceived while walking.”
Friedrich Nietzsche
Herwaardering
Om af te sluiten: repetitief werk dwingt een herwaardering van eenvoud af. Onze cultuur verheerlijkt originaliteit, constante innovatie, en productiviteit. Maar repetitief werk kan ook tot betekenis leiden, als het maar met zorg, aandacht, en verantwoordelijkheid wordt uitgevoerd. Net als een andere job. Wanneer die houding zich ook vertaalt naar het dagelijks leven, dan ga je vanzelf minder op jacht naar prikkels en behoud je de ruimte voor de eigen verdieping. Een ideaal antigif voor het moderne leven, waarin klagen dat je het te druk hebt de grootste vorm van stoefferij is, en waarin Tolstoj moest wijken voor doomscrollen. Met de juiste mindset is repetitief werk geen intellectuele woestijn, maar een stille tuin.
Iedereen is een kind van zijn tijd, en als iemand geboren in 1991 maakte ik de gulden intrede mee van de fighting games. Titels als Street Fighter, Mortal Kombat, en Tekken zijn allemaal games waarmee ik ben opgegroeid. De tv en consoles moesten namelijk gedeeld worden met mijn jongere broer, en soms bezoekende neven of vrienden. Games voor één speler zorgden dus enkel voor ambras. Games waarmee het scherm letterlijk in delen werd gesplitst waren ambetant en moeilijk leesbaar, dus shooters en racers vielen ook uit de boot. Fighters bleven overeind.
Bij de grote massa hebben fighting games een vertekend imago. Sommigen schatten ze in als te complex, anderen denken dan weer dat het enkel gaat om zo snel mogelijk zo veel mogelijk knopjes in te rammen. Beiden slaan natuurlijk de bal mis. Het competitief plafond ligt zowel op technisch als mentaal vlak enorm hoog in dit genre. Het is een kat-en-muisspel waarbij continu wordt gevochten voor positie door middel van bluffen en de bluf van je tegenstander te doorzien. Wie correct bluft, mag daarna ‘de pot winnen’ door zo veel mogelijk schade aan te richten, en dit gaat door tot iemand zijn leven op is.
Het is kortom poker aan blitztempo met een extra factor reactietests. Dat is het mentale. Wie dat mentale spel wint, mag dan zijn combo uitvoeren en schade aanrichten, en dat is het technische. Ik kan geen beter voorbeeld bedenken dan het befaamde EVO Moment #37. EVO is een jaarlijks toernooi dat inmiddels al bijna 30 jaar loopt en zich volledig focust op fighting games. Onderstaande video dateert al van 2004 en beide spelers zijn nog steeds competitief, ook al zijn ze intussen veertigers.
Het was geen zever toen ik het had over blitztempo. Er gebeurt in bovenstaande clip enorm veel. De Amerikaanse speler Justin Wong speelt met de Chinese dame Chun-Li (levensbalk rechtsboven) terwijl de Japanse speler Daigo Umehara speelt met de Amerikaanse karateka Ken (levensbalk linksboven). Vrij snel is Daigo zo goed als uitgeschakeld. Hij heeft te weinig leven om zelfs nog iets te kunnen afblokkeren.
Daigo (Ken) heeft nog zo weinig leven dat het niet eens zichtbaar meer is.
Justin ziet dit in en bereidt zich voor op wat hij denkt schaakmat te zijn: een supermove van Chun-Li met enorm veel schoppen. Als er ook maar één van die schoppen geblokkeerd wordt, dan wint Justin. Maar Daigo is hierop voorbereid en in plaats van de schoppen te blocken moet hij ze parryen. Uiterst moeilijk: hij moet vijftien keer op rij met de correcte timing (1/6 van een seconde) parryen. Hij doet het. Niet enkel een mentale maar ook technische overwinning. Hij ‘wint de pot’ door zijn combo uit te voeren en daarmee wint hij de ronde. Een prachtig staaltje vakmanschap.
De correcte parry timing is binnen 0,16 seconden. Daigo doet er zo vijftien op rij.
Dit is natuurlijk lang niet hoe ik als zevenjarige Mortal Kombat of Tekken zat te spelen. Zelfs niet als zeventienjarige, toen ik mijn consoles allemaal verkocht op de plaatselijke rommelmarkt. Pas toen ik vijfentwintig was, vond ik plots mijn weg terug naar het genre, en met de vooruitgangen die tegen dan geboekt werden qua internetinfrastructuur, ging deze competitieve wereld plots voor mij open. Ik kon niet alleen online andere spelers zoeken in dit kleine genre, maar ik kon ook educatief materiaal vinden (en maken!), en ik kon ook die internationale toernooien live bekijken. Het was een stukje jeugd herontdekken op een nieuwe manier. Dat was in 2015.
Inmiddels zijn we tien jaar verder en ik ben bijlange geen sterspeler, maar ik heb al mooie herinneringen gemaakt. De Discordserver van onze groep FGC Belgium (fighting game community) heeft al meer dan 500 leden en ik was met trots een van de eerste 50. Offline-bijeenkomsten worden met regelmaat georganiseerd in verschillende Vlaamse en Waalse steden, waarbij spelers en toeschouwers van ieder niveau en spel welkom zijn. Jaarlijks komen de kleinere lokale clusters samen voor ons grootste nationale toernooi: Brussels Challenge.
In 2018 won ik toegang tot de Belgische Red Bull Kumite, een Street Fighter V-toernooi in Brussel voor enkel Belgische spelers en met sponsoring van Red Bull. Ik werd uiteindelijk negende van de 64. De match die me uitschakelde was beschamend. Het was een zeer moeilijke matchup voor mijn character maar niettemin speelde ik ook slecht. In 2015 speelde Alex Valle tegen Bonchan een gelijkaardige match en dat zag er een pak anders uit…
Mitsurugi en Geralt staan toevallig beide op de cover art van Soulcalibur VI.
Sinds COVID is mijn animo voor die offline toernooien in feite compleet weggevallen. Afzakken naar Parijs om op mijn doos te krijgen was een leuke beleving, maar ik heb het nu wel gehad. Verliezen kan ik ook online, thuis in de zetel, al dan niet aangekleed.
Gamen is iets waarvoor we als volwassene steeds moeilijker en moeilijker tijd vinden of kunnen maken, maar ik heb in dit genre mijn toeverlaat gevonden. Een match duurt minder dan tien minuten. De gemiddelde leeftijd van de spelers ligt ook een pak hoger dan in andere genres. De community is dunbezaaid met tieners, je vindt er een pak meer twintigers en dertigers, zelfs veertigers, en dat maakt verbinden een pak vlotter.
Een warme oproep dus aan mijn leeftijdsgenoten om het een kans te geven. In de komende weken lanceert Riot Games (de publisher van League of Legends) hun eigen fighter, 2XKO, die volledig gratis zal zijn en makkelijkere controls zal hebben dan de oudere franchises. Een ideaal instappunt.
Wie niet kan wachten op de launch van 2XKO kan zich hier alvast inschrijven voor de beta, die volgende week 9 september van start gaat. Opnieuw: volledig gratis.
Afgelopen weekend trok ik naar de bioscoop met de bedoeling een recensie te schrijven over The Fantastic Four: First Steps. De film liet me echter zodanig koud dat ik het niet eens kan opbrengen, maar het thema van de film wakkerde wel een oude vlam in mij aan. Een onderwerp dat geen rol speelt in mijn leven, maar waar ik doorheen de jaren wel lang over heb nagedacht. Kinderen.
Sociaal mismaakt
Als tiener was ik sociaal mismaakt, mensen die mij toen kenden zullen dat alleen maar beamen. Een vreemde snuiter. Niet dat dit mij heeft getraumatiseerd, tot op de dag van vandaag draag ik dat feit zelfs met trots op mijn borst. Maar van een lief is dus lang niks gekomen. Toen ik dan als zestienjarige een korte (doch oprechte) fase kende waarin ik priester wilde worden, stond het voor mijn naasten en familie in steen gebeiteld. ‘Het is nen homo! Het kan niet anders!’ Langzaam maar zeker ebden dreunende vragen zoals ‘Hebt ge al een lief? Of mogen we het niet weten?’ weg. Ik was content met die rust en liet met plezier iedereen in de waan. Ondertussen ging ik maar verder met het polijsten van mijn knuppel aan de hand van allerlei uiterst hetero materialen.
Tom Hanks maakt vuur in Cast Away (2000).
Soit. Als twintiger begon ik er toch langzaam maar zeker in te slagen om die gaten in mijn sociaal kunnen dicht te plamuren. Maar het vrijgezel zijn was niet alleen gewoonte, maar ook plezier en zelfs identiteit geworden. Na enkele jaren te werken en helaas, belastingen te betalen, stond ik plots op eigen benen in een eigen woonst. Niemand om verantwoording aan af te leggen. Ik hoefde maar mijn uren te kloppen, de facturen werden automatisch betaald, en om de twee weken eens de was insteken, dat moest toch wel lukken, zeker? Enkele jaren leefde ik als Peter Pan in mijn eigen Neverland.
Tram drie naderde en fuck it, yolo. Ik installeerde Tinder en mijmerde lang over mijn profiel. Welke dwaze grap er nog bij stond weet ik niet meer, maar de centrale boodschap was deze: ‘Ik heb geen kinderen en wil er nooit.’ Een vrouw rond de dertig vinden die absoluut en resoluut géén kinderen wou, dat was geen evidentie, maar het lukte toch vrij snel. Chance dat we ook nog overeen kwamen op andere vlakken. Ik had mijn Wendy gevonden.
Peter Pan (1953) van Walt Disney Productions, naar de werken van J.M. Barrie.
Al gauw moest eb wijken voor vloed. ‘En wanneer kindjes? Jullie zijn de volgende, hè!’ Opmerkingen die ik vaak weglach om mensen niet ongemakkelijk te maken. Maar we bevinden ons hier in mijnverdorven hoekje van het internet. Hier doe ik mijn goesting. Awel, doe een bruine broek aan en zet u. Ik zal het eens uitklaren.
Spijt
Sommige mensen hebben het over spijt na een kater. Een carrièreswitch of een tattoo, dat kan ook nog. De dapperen zullen zo ver gaan om spijt te betuigen over een huwelijk. Maar niemand mag zeggen dat ze spijt hebben aan kinderen te zijn begonnen. Dat is taboe, not done. Wie dat publiekelijk doet, die wordt gevierendeeld en krijgt wellicht de cover van Dag Allemaal.
Veel mensen beginnen aan kinderen niet omdat ze dat per se willen, maar omdat het de volgende stap leek in het script des levens. Ouderschap wordt ons ingelepeld als de apotheose van het volwassendom, een placebo voor echte zingeving. Kinderloze volwassenen worden bijna met medelijden bekeken, een op te lossen vraagstuk. Wanneer iemand zegt kinderen te willen, dan volgt nooit dat allerbelangrijkste woord: ‘Waarom?’ Niet zoals we dat doen bij tattoos.
Ik denk terug aan mijn eigen moeder. Reeds als tiener besefte ik een kille waarheid. Ze zag mij doodgraag, dat is zeker. Maar ze had ook spijt. En als ze haar leven opnieuw had kunnen leiden, dan had ze niet voor kinderen gekozen. Ons ma was daarin geen kleine minderheid. Haar liefde voor ons, mijn broer en ik, die was echt. Maar haar rouw om de gemiste kansen, een gemist leven, en een verloren identiteit was dat zeker ook. Daarmee worstelde zij iedere dag. Daarmee worstelen talloze ouders iedere dag.
Een kind is de meest onomkeerbare beslissing die men ooit kan nemen. De uitdrukking ‘kinderen kopen’ is bedrieglijk op de meest ironische manier, want toevlucht nemen tot Testaankoop of de Europese consumentenrechten is uitgesloten. Retourneren naar bol.com Waalwijk zit er niet in. Wie ooit ‘ja’ heeft gezegd, kan het niet meer terugnemen, die hangt vast aan een levenslange verantwoordelijkheid van de hoogste orde. Niet enkel fiscaal lopen de kosten torenhoog op, maar ook op emotioneel en sociaal vlak. Met wat geluk ben je hier na vijfentwintig jaar grotendeels van af, maar wie pech heeft is gescheten tot aan het einde van zijn dagen.
Het is mij onbegrijpelijk hoe luchtig onze maatschappij hiermee omgaat, en hoe vanzelfsprekend die ‘ja’ wordt aanzien. Complexiteit en nuance lijken uit den boze. Het moederschap moet heilig zijn. Het vaderschap moet trots zijn.
“These women are not child haters. They are not mentally ill. They are not selfish. They are simply people who became mothers because that’s what they were told they should do – and then discovered a life they could no longer escape.”
Orna Donath, Regretting Motherhood
Een vrouw bekende dat ze aan kinderen begon, omdat iedereen haar zei dat ze het zich zou beklagen als ze het niet zou doen. Niemand waarschuwde haar dat ze het zich ook kon beklagen om wél aan kinderen te beginnen. Een man gaf toe nooit kinderen te willen, maar begon er toch aan om zijn partner niet te verliezen. Uiteindelijk verloor hij hierdoor zichzelf.
Ervaringen van deze aard zijn schering en inslag, als men maar genoeg oplet en diep genoeg doorvraagt. En de grootste tragedie is dat men dit soort spijt vaak gaat aanzien als een persoonlijke mislukking, in plaats van als een hiaat in onze maatschappij.
Onze maatschappij moedigt het argeloos kweken impliciet aan. In iedere laag vinden we die boodschap. Maar het openhartig bespreken van de gevolgen, dat castigeert ze.
Godsdienst: ‘Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde.’
Gender: ‘Een vrouw zonder kinderen is onvolledig. Een man zonder nalatenschap is een mislukking.’
Familie: ‘Zou je je ouders geen kleinkinderen gunnen?’ of ‘Wie zal de familienaam voortzetten?’
Romantiek: ‘Een baby kan je relatie hechter maken of zelfs redden.’
Het ouderschap is geen onheil, maar onbezonnen en onbewust ouderschap is dat wel. Als eeuwige twijfelaar kan ik op zo’n belangrijke verantwoordelijkheid nooit met zekerheid ‘ja’ antwoorden, en al zeker niet op basis van dit soort drogargumenten.
Lijden en toestemming
Na het bovenstaande moet duidelijk zijn dat ik genoeg redenen heb om geen kind te willen, maar dan zijn sommigen nog geneigd het te hebben over egocentrisme en het welzijn van het (nog niet eens verwekte) kind. Met andere woorden, een kind maken óm het kind. Het meest ongemakkelijke argument komt dan naar boven: dat van de potentiële miserie. Niet ieder kind heeft een even makkelijk leven in het verschiet, en de schuld daarvoor ligt lang niet altijd bij de ouders.
“It is curious that while good people go to great lengths to spare their children from suffering, few of them seem to notice that the one (and only) guaranteed way to prevent all the suffering of their children is not to bring those children into existence in the first place.”
“The absence of pain is good, even if that good is not enjoyed by anyone. But the presence of pain is bad, even if it’s accompanied by pleasure.”
“Coming into existence is always a serious harm. Not coming into existence is never a harm.”
David Benatar, Better Never To Have Been: The Harm of Coming into Existence
De filosofie van David Benatar zou me te ver doen uitweiden maar valt kort samen te vatten: niet geboren worden bespaart lijden. Geboren worden garandeert lijden. Het is niet voor niets dat baby’s als eerste werk uit de baarmoeder aan het bleiten gaan. Het lijdensbesef lijkt wel intrinsiek, en wordt er pas later uitgetimmerd.
Als kers op de taart kunnen we het nog hebben over toestemming oftewel consent. Terecht een hot topic het afgelopen decennium. Toestemming is cruciaal om de menselijke rechten en fatsoen te bewaren bij onder andere seks. Maar niets is belangrijker in iemands leven dan de verwekking, en het spreekt voor zich dat niemand toestemming kan geven om verwekt te worden. Kortom wordt het leven ons opgelegd, en wie nadien het gegeven paard in de mond kijkt wordt nog scheef bekeken ook.
Conclusie
Een kind maken is gokken met als inzet andermans leven, het leven van iemand die daar nooit toestemming voor heeft kunnen geven en die mogelijk enorm leed zal te verduren krijgen. Al de argumenten vóór kinderen kunnen hier voor mij niet tegen opwegen. Leven is een zwaar beroep, een niet te onderschatten stiel, en wij zijn bijlange niet allen vakmannen.
Dit was geen betoog om ons massaal te gaan steriliseren, maar wel een warme oproep tot bezinning, reflectie, en begrip voor de medemens die weigert de fakkel door te geven. Het is perfect ok om die te laten uitdoven. Wij blijven lekker Peter Pan en Wendy, en hopen op een toekomst met iets minder Verloren Jongens.
Wie zich verder wil verdiepen kan ik de werken aanraden van Thomas Ligotti, David Benatar, Emil Cioran, Peter Wessel Zapffe, en Philipp Mainländer. Allesbehalve verkwikkende literatuur, maar wel prikkelend.
“Know yourselves—be infertile and let the earth be silent after ye.”
Space horror is een evidentie. Een cruciaal element voor succesvolle horror is namelijk claustrofobie; de personages afzonderen. En waar is men meer afgezonderd dan in de ruimte? Fans hongeren ernaar, en nochtans krijgen we maar zelden nieuwe films in dit subgenre. Toen ik dus toevallig op de psychedelische, met neon overgoten trailer stuitte van Ash, was ik meer dan enthousiast. Wat kon regisseur Flying Lotus bereiken met zijn bescheiden budget van slechts een half miljoen dollar? Verrassend veel.
Het concept hier is niet uniek. Een jonge vrouw wordt wakker op een verlaten ruimtebasis. De lichten zijn uit. Alles ligt vol bloed, vetzakkerij, en de lijken van de andere bemanningsleden. Ze herinnert zich niets. Wie nu denkt, tiens, die film heb ik al gezien, dat klopt! Vergelijkingen met onder andere Pandorum of Dead Space liggen zowel visueel als inhoudelijk voor de hand. Dat is een beetje de rode draad hier. Flying Lotus probeert niet het warm water uit te vinden. Hij beseft goed op wier schouders dit subgenre vandaag rust. Films als Event Horizon, Sunshine, Life, en The Thing, allemaal stuk voor stuk geliefd door de fans. Flying Lotus maakt zelfs knipoogjes naar Alien en 2001: A Space Odyssey. Hij steekt met andere woorden zijn liefde niet onder stoelen of banken, integendeel, hij etaleert juist waar hij de mosterd is gaan halen. Voor sommigen is dit misschien storend. Als medefan van al die films vond ik het net innemend.
De film reduceren tot een afkooksel zou dus onterecht zijn. Ash is een bloemlezing in een stilistisch modern jasje. Dat is wat de film uniek maakt. De neonkleuren geven de film een kleurenpalet dat kan wedijveren met Suspiria. Recentere vergelijkingen uit de laatste tien jaar met o.a. The Colour Out Of Space, Annihilation, Mandy, en Glorious zijn ook op hun plaats. Idem wat sound betreft, Ash moet hierin niet onderdoen. De film is doorspekt met synthesizerbeats zoals we die kennen uit bijvoorbeeld de Halloween-films van John Carpenter. Flying Lotus creëert zo een atmosfeer die wat weg heeft van een arthouse muziekvideo. Ik moest denken aan Blood Machines en andere werken van de Franse darksynthartiest Carpenter Brut.
Audiovisueel een uitblinker dus, maar wat dan met de inhoud? Er is weinig aan te merken op de acteerprestaties. De personages zijn flinterdun, maar flinterdun is hier op zijn plaats. Wie Dostojevski had verwacht, heeft nog veel te leren. Het plot is niets nieuws voor wie nog meer claustrofobische ruimtefilms heeft gezien waarin isolatie en paranoia de thema’s zijn. De film is kort, maar schiet structureel toch enkele kemels. De tweede act sleept wat lang aan, en dat is wel een prestatie voor een film die slechts 95 minuten duurt. Ash mocht korter zijn en kon gereduceerd worden tot een aflevering voor televisie. Dat, of het had meer vlees nodig om de 95 minuten te rechtvaardigen. Niettemin is het doorbijten van die tweede act de moeite waard. De derde act lost veel verwachtingen in.
Acteurs Eiza González en Aaron Paul spelen de hoofdrollen.
Kortom, Ash speelt alles qua plot volgens het boekje, maar meer dan iets anders is de film een audiovisuele beleving. Ash is een stemming. Het is een vibe. Ambiance. Zonde dat deze niet in de bioscopen te bekijken is. Twijfel niet. Deze gaat recht in mijn favorieten.
Een onnozelheid stuwde me onlangs weer richting het cyberpunkgenre: solden. Jawel. Een paar percentjes afgeprijsd op Steam en voor ik het wist kroop ik in de schoenen van Alex Murphy in Robocop: Rogue City en keerde ik terug naar Cyberpunk 2077 met de uitbreiding Phantom Liberty. Al gauw besefte ik dat de thema’s van cyberpunk mij nog nooit zo relevant leken als nu. Waarom is dat? Laat ons die thema’s overlopen.
High tech, low life
Cyberpunk is een subgenre van science fiction, en kenmerkt zich door een veel pessimistischere blik op de toekomst. Hét thema dat cyberpunk onderscheidt van scifi is ‘high tech, low life’. Cyberpunk toont ons samenlevingen die technologisch enorm vooruit staan, maar die hun bevolkingen de daarmee gepaarde welvaart toch ontzeggen. Futuristische utopia’s op het eerste zicht, maar net onder het oppervlak schuilen armoede, criminaliteit, en algemene onrust. In de audiovisuele media kunnen we er niet aan ontsnappen: cyberpunk is daar vaak beladen met neon pastelkleuren en synthesizerbeats, die alles tesamen doen denken aan downtown Tokyo in het kwadraat. High tech. Het is pas wanneer we iets verder kijken dan onze neus lang is, dat we de problemen in die futuristische maatschappij opmerken. Low life. De effecten van ongeremd kapitalisme zijn de thematische rode draad, en hoe technologie die effecten kan verergeren.
Ongeremd kapitalisme
In cyberpunk zijn het gezichtsloze, gigantische multinationals die de drijfveer zijn achter de technologische vooruitgang, maar ook de enorme sociale kloof. Die amorele bedrijven slagen erin om iedere sector te infiltreren en alsmaar groter te worden, omdat de regeringen te machteloos of te apathisch zijn om hen te stoppen. Regeringen hebben dus het monopolie op geweld en ordehandhaving kwijtgespeeld. Er heerst anarchie. De wet van de sterkste, oftewel de rijkste, in een betonnen jungle. De keerzijde hiervan zijn onze protagonisten: eenzame zielen die zich proberen te verzetten tegen het onderdrukkende systeem.
“America is an irradiated wasteland. Within it lies a city. Outside the boundary walls, a desert. A cursed earth. Inside the walls, a cursed city, stretching from Boston to Washington D.C. An unbroken concrete landscape. 800 million people living in the ruin of the old world and the mega structures of the new one. Mega blocks. Mega highways. Mega City One. Convulsing. Choking. Breaking under its own weight. Citizens in fear of the street. The gun. The gang. Only one thing fighting for order in the chaos: the men and women of the Hall of Justice. Juries. Executioners. Judges.”
Opening lines van Dredd (2012)
AI-afbeelding gemaakt met ChatGPT.
Eenzaamheid in een overbevolkte wereld
De protagonisten in cyberpunk zijn vaak einzelgängers. Geïsoleerd op een of andere manier. Het is een neveneffect van de wereld waarin zij zich bevinden, omringd door technologie.
Als we dit doortrekken naar onze eigen maatschappij als neveneffect van het verweven van technologie met het dagdagelijks leven, dan hebben we een gepaste verklaring voor waarom ook bij ons het zo moeilijk is geworden om diepgaande vriendschappen en relaties te smeden. Het beeld van volle treinwagons waarin iedereen verzonken is in de eigen wereld, headset op, ogen naar beneden gericht op een klein scherm – het is ons allemaal bekend.
Neo in The Matrix (1999)
Mens en machine
We dragen al wearables die onze hartslag meten. We laten protheses met feedback plaatsen. LASIK-operaties. Nieuwe gewrichten. Botox. Pacemakers. Virtual reality headsets. Sommigen laten zich chippen om vlotter contactloos te betalen. We zijn constant online, plugged in. En deze versmelting van mens en technologie is zo oud als de eerste handbijl. Maar waar hoort het te stoppen voor we onszelf kwijtraken en meer machine dan mens worden?
In RoboCop bezit multinational Omni Consumer Products de politie van Detroit. Wanneer politieman Alex Murphy wordt neergeschoten, bezit het bedrijf zijn lijk. Murphy wordt herboren als RoboCop en moet herontdekken wie hij is. Is hij een mens of machine? Gelijkaardige verhaallijnen over de vervaging van de grens tussen technologie en mens vinden we terug in Alita: Battle Angel en Upgrade. Blade Runner stelt zelfs die vraag bij de compleet synthetische replicants.
“Patience, Lewis. We are only human.”
Alex Murphy – RoboCop 2 (1990)
“Replicants are like any other machine – they’re either a benefit or a hazard. If they’re a benefit, it’s not my problem.”
Deckard – Blade Runner (1982)
“I know now why you cry. But it is something I can never do.”
T800 – T2: Judgment Day (1991)
Conclusie
Ons eigen stadsbeeld staat ver van al dat neon, maar op maatschappelijk vlak is het moeilijk de gelijkenissen met cyberpunk te ontkennen. Het idee dat technologie zo ver is geavanceerd dat het in ieder aspect van ons leven te vinden is… Is dat al geen realiteit? Het idee dat ongeremd kapitalisme een bedreiging vormt voor de huizenmarkt, gezondheidszorg, onderwijs, openbaar vervoer, de politie en de hulpdiensten… Is dat al geen realiteit? En dat wij allemaal als individu alsmaar meer geïsoleerd worden ondanks de stijgende bevolkingsdichtheid… Is dat al geen realiteit?
Wij bezitten onze technologie niet, de technologie bezit ons. De media bekijken ons evenzeer als wij de media bekijken. We maken ons zorgen om AI. Onze productiviteit blijft alsmaar stijgen, móet alsmaar stijgen, maar we weten niet waarom dat moet. We zijn onze zingeving kwijt. Alsmaar vooruit, dat zeker, maar waar we naartoe gaan, of willen, dat weten we niet. Wat we wel aanvoelen, is dat er iets scheelt.
“Let me tell you why you’re here. You’re here because you know something. What you know you can’t explain, but you feel it. You’ve felt it your entire life, that there’s something wrong with the world. You don’t know what it is, but it’s there, like a splinter in your mind, driving you mad.”
Morpheus – The Matrix (1999)
In cyberpunk is de wereld te ver om nog te redden. Enkel de schrale troost van zelfredding resteert nog, en is geen zekerheid. Deprimerend, maar ik geloof dat het een visie is die meer en meer strookt met de grootste angsten van de 21ste eeuw, en net daardoor is cyberpunk bezig aan een (her)opmars.
Regisseur Fede Álvarez blies in 2013 de horrorwereld van haar sokken met Evil Dead, een perfecte reboot van de klassieker uit de jaren tachtig. In 2016 deed hij het opnieuw met de originele horrorthriller Don’t Breathe. En nu in 2024 maakt hij de hattrick met Alien: Romulus, de sterkste vertoning van de xenomorph in vele decennia.
De Alien franchise heeft altijd enkele grote gelijkenissen gehad met het cyberpunk genre. Naast het high-tech en low-life aspect, is het échte monster namelijk onzichtbaar, alomtegenwoordig, maar niettemin menselijk. Het zijn enorme bedrijven die enkel uit zijn op winstbejag en uiteindelijk proporties aannemen die globaal en zelfs intergalactisch kunnen worden, bedrijven zoals Omni Consumer Products in RoboCop of Tyrell Corporation in Blade Runner. Zij reduceren de mens tot grondstof en moraal tot een obstakel. In Alien heet dat bedrijf Weyland-Yutani. Zonder al te veel prijs te geven: dit is hoe we de personages eerst leren kennen. Deze twintigers leven onder het tyranniek bewind van Weyland-Yutani en grijpen een kans om hieraan te ontsnappen, maar de sukkelaars komen daardoor snel in contact met facehuggers en xenomorphs. Van de regen in de drup.
De cast is fantastisch. Vooral de veelgelaagde broer-zus dynamiek van Rain (Cailee Spaeny) en Andy (David Jonsson) brengt heel wat ziel in het verhaal en maakt dat Spaeny de grote schoenen van de legendarische Sigourney Weaver meer dan vult. Ook visueel is de film adembenemend. Álvarez benadrukt echt dat dit verhaal zich afspeelt in de ruimte, toont het publiek prachtige vista’s, en hanteert astrofysica creatief voor het plot.
Eigen aan iedere monstersequel is dat je er iets nieuws mee moet doen. Soms zijn de resultaten geweldig, en dan krijg je bijvoorbeeld de T-1000 van Terminator 2. Soms gaan de schrijvers echter wat te ver en dan krijg je de vliegende piranha’s uit Piranha 2. James Cameron deed het destijds in Aliens geweldig met de introductie van de xeno-koningin en de sociale structuur die doet denken aan mierenkolonies. Andere Alien films kwamen met minder interessante uitbreidingen op de proppen. Álvarez voegt twee grote zaken toe aan de franchise in Romulus. De eerste: geweldig. Eindelijk een antwoord op de vraag wat er gebeurt in die voorheen vage fase tussen chestburster en volgroeide xenomorph, en het antwoord is thematisch ook helemaal passend. Zijn tweede toevoeging is op zijn minst interessant en visueel spectaculair, maar ik weet niet zeker of het een meerwaarde is. Dat laatste is het enige minpuntje dat ik kan aanduiden, en meningen hierover zullen verschillen.
Alien: Romulus is een terugkeer naar de roots voor de franchise. Weg zijn de pseudo-intellectuele mijmeringen uit Prometheus en Alien: Covenant, wat uiteindelijk enkel maar bizarre pogingen waren van een ijlende Ridley Scott om het werk van James Cameron teniet te doen en de franchise in de creatieve zin terug te grijpen. Álvarez daarentegen put inspiratie uit en brengt hulde aan al zijn voorgangers, en franchisekenners zullen met tevredenheid vaststellen dat de onsamenhangende verhaallijnen van de vele vorige films eindelijk door Romulus met elkaar vervlochten worden. Kortom is Alien: Romulus gewoonweg een aanrader en een must-see voor zowel kenners als leken van de franchise. Bekijk de trailer hieronder.
De zomer is gearriveerd, en des te meer de zon door het zwerk breekt, des te meer teister ik mijn medemensen met het aanzicht van mijn kuiten. Melkflessen worden ze wel eens genoemd, en op de rechterfles prijkt al enkele jaren een tattoo, de enige op mijn lichaam. Het zwoele weer brengt mij dan ook vaak de dwaze vraag die deze pagina betitelt. ‘Waarvoor staat dat?’ of ‘Wat betekent het?’ en niet onregelmatig ‘Is dat een rune?’
Toen ik ongeveer twintig was kwam ik voor het eerst in aanraking met Berserk van wijlen mangaka Kentaro Miura († 6 mei 2021), via de animereeks uit 1997. Het was, en is nog steeds, het diepstrakende animatiewerk dat ik ooit heb gezien. De anime is een schermvertaling van de Golden Age Arc uit de Berserk manga, en dit deelverhaal is een Shakespeareaanse tragedie van jewelste. Spoilers volgen hieronder, dus wie kan leest of bekijkt de reeks best eerst zelf. Maar wees gewaarschuwd, het is geen verhaal voor tere zieltjes.
Berserk is het verhaal van Guts, of in het Japans Gattsu. Hij wordt geboren uit het lijk van zijn opgehangen moeder, en de zuigeling wordt dan door een groep huurlingen geplukt uit de modder. Zijn pleegvader Gambino voedt hem liefdeloos op als kindsoldaat. Na een jeugd vol gevaar en misbruik, doodt hij als tiener Gambino uit zelfverdediging. Getraumatiseerd en met als enige troost zijn (veel te grote) zwaard, verlaat Guts het kamp.
Guts leeft enkele jaren als einzelgänger maar komt al gauw in aanraking met Griffith en zijn troepje huurlingen genaamd The Band of the Falcon. Hier vindt Guts voor het eerst in zijn leven een echte thuis en ontdekt hij wat het is om vrienden te hebben. Hier komt de essentie ook voor het eerst naar boven, de ware thema’s van Berserk en de boodschap die Miura ons misschien trachtte bij te brengen. Hiervoor moeten we duiken in de wereld van de filosofie, en met name die van Schopenhauer en vooral Nietzsche.
Berserk als tragedie
Filosoof en Nietzsche-geleerde Walter Kaufmann wijst in Oedipus Rex vijf thema’s aan die kenmerkend zijn voor de klassieke Griekse tragedie. We zien ze ook allemaal in Berserk. (NB: Manga wordt van rechts naar links gelezen.)
De protagonist is enorm onzeker. Guts twijfelt continu aan zijn plaats in de wereld en zoekt zingeving.
De vloek van deugden. Beslissingen onder invloed van deugden leiden tot catastrofes.
Gerechtigheid wordt in vraag gesteld. Bestaat het wel? De wereld is wreed.
Onvermijdelijkheid van de tragedie. Determinisme en fatalisme zijn grote thema’s in Berserk.
Berserk start achronologisch met de korte Black Swordsman Arc, een soort van flash-forward proloog waarin we een heel andere Guts te zien krijgen, een Guts van ná de Golden Age. Deze Guts is bitter en zijn teruggetrokken skepticisme uit de Golden Age heeft geweken voor teneergeslagen cynisme. Al het geloof en hoop in de wereld is weg. Hij is enkel uit op wraak. Door het verhaal op deze manier te structureren zit het fatalisme van de tragedie er al bij de eerste pagina’s in vervlochten: ongeacht wat er ook gebeurt tijdens de Golden Age, hoe mooi de vooruitzichten er ook uitzien, de lezer wéét al dat er een tragedie zit aan te komen en dat Guts de dieperik in zal storten.
Nietzsche zei ooit dat tragedies gaan over wat niet te genezen, onontkomelijk, en onvermijdelijk is aan het lot en karakter van de mens. Berserk toont ons precies dat soort fatalistische determinisme en geeft het een antropomorfe vorm met de vijf figuren van de God Hand. Guts is de protagonist die, ondanks alles en tegen beter weten in, zich tegen dat determinisme verzet en erop blijft hameren dat hij een vrij man is en zelf beslissingen neemt.
Schopenhauer en Nietzsche
Nietzsche las Schopenhauer voor het eerst toen hij 21 was, en dat wakkerde zijn vlam voor filosofie aan. Schopenhauer was dus van grote invloed op Nietzsche, en lof voor de tragedie vinden we bij allebei terug.
“… the purpose of this highest poetical achievement is the description of the terrible side of life.”
“The unspeakable pain, the wretchedness and misery of mankind, the triumph of wickedness, the scornful mastery of chance, and the irretrievable fall of the just and the innocent are all here presented to us.”
Arthur Schopenhauer, The World as Will and Representation
Schopenhauer vond zulke gruwelijke voorstellingen van het leven nauwkeuriger dan wat men vindt in andere literaire genres. Hij bewonderde het verwerpen van happy endings, die anders valse hoop en geloof in moraliteit zouden aanmoedigen. In werkelijkheid is dit namelijk zelden het geval. De tragedie is uniek in haar eerlijkheid en vrijheid van illusies. Zij dwingt ons het feit te confronteren dat de wereld niet geregeerd wordt door ‘het goede’, dat de natuur zich geen ballen aantrekt van de menselijke toestand, dat we geen controle hebben, en dat het leven gekenmerkt is door eindeloos antagonisme en conflict. Er is geen poëtische gerechtigheid. Geen happy ending of eindresolutie. Alles is naar de zak. Of zoals Guts het zelf zegt…
Dit brengt ons bij de paradox van de tragedie. Namelijk, wat maakt tragedies dan zo aantrekkelijk? Waarom zijn wij als mensen zo aangetrokken tot dit genre, als het tot niets dient behalve in ons gezicht te duwen hoe erbarmelijk onze toestand is?
“… we feel ourselves urged to turn our will away from life, to give up willing and loving life. But precisely in this way we become aware there is still left in us something different… that which does not will life.”
“At the moment of the tragic catastrophe, we become convinced more clearly than ever that life is a bad dream from which we have to awake… that the world and life can afford us no true satisfaction, and are therefore not worth our attachment to them… accordingly, it leads to resignation.”
Arthur Schopenhauer, The World as Will and Representation, vol. 2
Schopenhauer wijst erop dat de tragedie ons niet alleen tracht te tonen dat de wereld verschrikkelijk is, maar ook dat het deel van ons dat hieronder lijdt, niet alles is wat we zijn. Er is ook dat aspect van ons dat de wereld de rug toekeert, dat zich er gewoonweg bij neerlegt.
Wanneer we ons emotioneel investeren in personages, en die investering wordt daarna pijnlijk door een tragische gebeurtenis, dan zou Schopenhauer dat gezien hebben als een levensles. Onze emotionele investeringen zijn het gewoonweg niet waard, aldus Schopenhauer.
Maar hiermee zijn we nog steeds aan het patineren. Wij als lezer trekken namelijk zelden de conclusie dat het leven niet leven waard is. De helden in deze tragedies nog minder. Guts wordt wel vaker ironisch beschreven als ‘een man die te kwaad is om te sterven’ en ik, net als vele andere lezers, vinden Berserk en Guts’ wilskracht net inspirerend.
Schopenhauer zat ook vóór Berserk al met dit probleem. De helden uit de Griekse tragedies krijgen groot, onverdiend ongeluk te verduren, maar zij laten zich hierdoor niet kleineren. Hun wilskracht houdt aan. Zij keren met andere woorden de wereld niet de rug toe. Zij leggen zich er niet bij neer.
“Almost all [Greek tragedies] show the human race under the dreadful dominion of chance and error, but not the resignation these bring about which redeems us from them.”
Arthur Schopenhauer, The World as Will and Representation, vol. 2
Hoe is dat mogelijk? Hoe konden de oude Grieken, grondleggers van de tragedie, niet afweten van haar ultieme doel? Schopenhauers antwoord hierop is zwak. De oude Grieken, onderontwikkeld als ze waren, hadden gewoonweg het doel van de tragedie nog niet ontdekt. Schopenhauers conclusie dat de Griekse tragedie hierdoor ondergeschikt is aan de moderne tragedie was, zelfs in zijn tijd, ongewoon.
Ook al was Nietzsche enorm beïnvloed door Schopenhauer, en was hij net als Schopenhauer onder de indruk van de grootsheid van de tragedie, toch staan hun conclusies haaks op elkaar. Waar Schopenhauer het leven de rug toekeerde, en de Grieken als onderontwikkeld bestempelde, ging Nietzsche de andere kant uit.
Waar Schopenhauer zwakte zag, zag Nietzsche bewijs voor de gezondheid en kracht van de Griekse samenleving. Een samenleving die strijd en conflict omarmde, die zichzelf continu uitdaagde, en het tragische confronteerde zonder gelatenheid.
Het moderne daarentegen zag Nietzsche als fundamenteel ziek en cultureel en psychologisch achteruitgaand. Schopenhauers chronisch pessimisme was daar een zoveelste symptoom van. De echte waarde van de Griekse tragedie, zo vond Nietzsche, was verloren gegaan. En dit deels omdat ons begrip ervan was gecorrumpeerd door de moralistische wereldvisie van het christendom. Alles, waaronder ook kunst, werd gewikt en gewogen tegen de christelijke elementen van zonde, schuld, en kwaad. Hierdoor zijn we niet alleen de ware aard van de Griekse tragedie verloren volgens Nietzsche, maar ook de ware aard van het leven.
Hoe kon dát dan weer? Hoe konden mensen morele standaarden ontwikkelen die ertoe leidden dat het leven minder waard werd? Nietzsche wierp deze vraag op, en zo ook Miura in Berserk.
The Idea of Evil
In hoofdstuk 83 van de manga loopt Griffith ‘god’ tegen het lijf, of wat hij voor god interpreteert. Het is een wezen in de vorm van een gigantisch hart dat zich schuil houdt in de diepten van het collectief menselijk onderbewustzijn. Het stelt zichzelf voor als ‘het idee van het kwade’, en wanneer Griffith het vraagt waarom mensen zoiets afschuwelijks gebaard hebben, antwoordt het als volgt…
En laat ons dit even leggen naast een bekend citaat van Nietzsche.
“Man, the bravest of animals, and the one most accustomed to suffering, does not repudiate suffering as such; he desires it, he even seeks it out, provided he is shown a meaning for it, a purpose of suffering. The meaninglessness of suffering, not suffering itself, was the curse that lay over mankind so far.”
Friedrich Nietzsche, On the Genealogy of Morals
Hoe het ‘idee van kwaad’ (en tevens het christendom) werkt, zit dus volgens Nietzsche in deze vicieuze cirkel. We kunnen het betekenisloze leed niet aanvaarden, en dus geven we het betekenis door concepten als schuld en zonde te verzinnen. Maar zichzelf identificeren als een schuldenaar wekt ook weer meer leed op. Hoewel het dus het reeds bestaande lijden zin geeft, geeft het ook zin aan het toedienen van méér leed. Er ontstaat zo een positieve feedback loop waardoor leed gewoonweg ophoopt. Het christendom was hierdoor zo succesvol, omdat het de kwalijke toestand zin gaf alsook het verergeren van die toestand.
Maar dit was volgens Nietzsche niet het volledige verhaal. Het gaat bij het christendom niet enkel om zingeving, maar ook om afgunst, nijd, en een diep verlangen naar wraak. Nietzsche beschreef zo het ontstaan van de ‘slavenmoraal’. Het christendom is een voorbeeld van zo’n moraalbeeld.
Daarin gaan de machtelozen of ‘slaven’ wat ze willen hebben maar niet kunnen krijgen, omvormen tot zondes. Onmacht daarentegen wordt een deugd. Het is makkelijk om te vasten als je sowieso geen eten hebt. Vrijgevig zijn eveneens als je toch niets hebt om weg te geven.
Toch groeit er volgens Nietzsche bij de slaven wat hij ressentiment noemt, een diepe nijd die zich mettertijd gaat uiten in een verlangen naar wraak tegenover de meesters. Maar omwille van hun onmacht zijn ze niet in staat die wraak uit te oefenen, en worden ze creatief. Het concept van de hel wordt uitgevonden om de meesters te straffen in het hiernamaals, en zodoende het ressentiment te sussen.
Allemaal een illusie, zegt Nietzsche, hypocrisie, en het bewijs zit hem in dat concept van de hel. Als de slaven effectief vrij zouden zijn van de hoofdzondes, waaronder wraak, waarom halen ze dan toch genot uit het idee dat hun vijanden voor eeuwig zouden branden? Waarom hangt de clerus deze dreiging boven het hoofd van de mensen? Het vereist een vergevorderde vorm van creatief sadisme om iets te bedenken als de hel, of zoals we het zien in Berserk, het ritueel van de eclips.
Zelfoverwinning: Farnese
Dat brengt ons bij het Nietzscheaanse ideaal van zelfoverwinning. Na de Golden Age introduceert Miura een nieuw personage: Farnese de Vandimion. Zij is een klassiek voorbeeld van iemand met ressentiment en in het verhaal leidt ze zelfs een inquisitie op heksen en andere ketters. De allegorie met het christendom ligt er vingerdik op. Farnese is van adele komaf maar kreeg nooit aandacht en zit met onderdrukte emoties en een groot gevoel van onmacht. Dat leidt bij haar tot het ontwikkelen van destructief gedrag, waaronder pyromanie en sadisme. Als jong kind geniet Farnese al van de brandstapels op het erf van haar familie, en regelmatig gooit ze zelfs de eerste fakkel. Uiteindelijk wordt zij een van Guts’ eerste tegenstanders na de Golden Age en jaagt zij op hem in de overtuiging dat hij een ketter is, een figuur gelijkend op wat wij de antichrist zouden noemen.
Farnese is laaghangend fruit voor een auteur die op zoek is naar poëtische gerechtigheid. Ze is een voor de hand liggende antagonist die bij de ontknoping haar verdiende loon zou kunnen krijgen. Maar die weg slaat Miura niet in. Farnese groeit, leert om haar ressentiment te laten varen en wordt, geïnspireerd door Guts, gewoonweg sterker als individu. Zo vindt ze rust en échte kracht. Dit komt tot uiting wanneer de voormalige ketterjager haar geloof en de illusies van macht dat dat met zich meebrengt, achterwege laat.
Uiteindelijk leert ze zelf magie en wordt ze het type persoon dat ze enkele jaren eerder nog met plezier op de brandstapel gooide. Het is een schril contrast wanneer Farnese op de knieën gaat zitten voor de jonge heks Schierke en haar vraagt om haar te begeleiden. Dit is wat Nietzsche bedoelde toen hij sprak over de Übermensch; een persoon die zichzelf weet los te maken van het systeem rondom zich en zijn individualisme vindt. Ware kracht zit in individuele groei, in het juk der slavenmoraal van zich afwerpen.
Amor Fati
Terugkoppelend naar Schopenhauer en Nietzsche komen we bij het grootste verschil tussen de twee; de houding naar het leven toe. Zoals we zagen bij Farnese, ontstaat de moraliteit tussen goed en kwaad uit de psychologie van een individu, uit wat Nietzsche ressentiment noemt en een uiteindelijk verlangen naar wraak. De positieve feedback loop van de slavenmoraal heeft echter een eindpunt, de singulariteit van zonde, die het bestaan zélf als zondig ziet. De erfzonde dus. Dit idee zit cultureel zo diep ingeworteld dat zelfs Schopenhauer, een atheïst, erin slaagde een vorm van erfzonde te smokkelen in zijn beeld van de tragedie.
“… what the hero atones for is not his own particular sins, but original sin, in other words, the guilt of existence itself.”
Arthur Schopenhauer, The World as Will and Representation
Schopenhauer zegt dus zonder meer dat leed verantwoord is, want het bestaan an sich is zondig. Hierin zien we duidelijk het gecorrumpeerde beeld van de tragedie waar Nietzsche het al eerder over had. Het gaat hier om een conflict tussen onze moraal aan de ene kant en het aardse leven aan de andere kant.
Schopenhauer, en anderen die in de ban van de slavenmoraal zijn, zien dat het aardse leven onmogelijk kan voldoen aan hun moraalbeeld. Zij keren zich dus tegen de wereld en gaan het bestaan zien als iets kwaads. De waarde van het leven moet inboeten, zelfs verdwijnen, zodat de moraal kan zegevieren.
Nietzsche gaat de andere richting uit. Voor hem is er geen hoger goed dan de verheerlijking van het leven. Als onze moraal daarmee niet strookt, dan moet de moraal wijken. Het leven zelf is, bij gebrek aan een beter woord, heilig. Guts berispt Farnese dan ook wanneer ze onder aanval komen; ze gebruikt beter haar handen ter verdediging van haar leven, dan ze vast te klemmen ter gebed.
Schopenhauer beschreef het leven als een corvee, gekenmerkt door eindeloos conflict en afzien. Het is pijnlijk, irrationeel, en vluchtig. Nietzsche ging hiermee volledig akkoord en bewonderde Schopenhauers uitzonderlijke eerlijkheid. Waar hij niet mee akkoord ging was Schopenhauers waardeoordeel. Het leven is effectief miserie, aldus Nietzsche, maar het dient geliefd en omarmd te worden. Er moet zelfs voor gevochten worden. Dat is amor fati.
‘Dus wat betekent het?’
Die tattoo op mijn spierwitte kuit dan, wat daarmee? Aan het oppervlak gaat het natuurlijk om mijn liefde voor Berserk, en wie nog steeds een aanbeveling zoekt kan ik er maar op wijzen dat dit de enige tattoo is die ik heb.
Verder symboliseert het de houding waar ik mee streef in het leven te staan. Het is een nuchtere blik die vaak pessimistisch overkomt, maar ik hoop niet verwerpend. Het symboliseert mijn ongeloof in vrije wil, maar ook mijn geloof in het belang van proberen en verzet te bieden. Het staat voor persoonlijke groei, doorzettingsvermogen, en amor fati.
Maar goed, de volgende die mij de vraag stelt krijgt wellicht, net zoals zijn voorgangers, een intussen goed ingeoefende schouderophaling.
Een speciale bedanking aan Jonas Čeika – CCK Philosophy, die zo vriendelijk was mij toestemming te geven om inspiratie en zelfs rechtstreekse vertalingen te putten uit zijn video essay.
E-readers zijn zeker geen nieuwe technologie. De eerste modellen zijn ondertussen twintig jaar oud en mijn eigen Kobo Glo dateert van de zomersolden van 2013. Ik was dus toe aan een upgrade. Maar hoe overtuig je mensen om nieuwe e-readers aan te schaffen? Wat mij in 2013 over de streep trok was het frontlight, waarmee ik tot in de vroege uurtjes kon lezen zonder mijn ogen te mishandelen. Het heeft dus tot nu geduurd vooraleer ik heil zag in het vervangen van de Kobo Glo, vooraleer ik nieuwe functionaliteit zag opduiken die graaien in de portefeuille kon verantwoorden.
De Kobo Libra Colour met Stylus 2 en Notebook SleepCover. Totaalprijs: € 339,97.
De voornaamste reden natuurlijk is dat deze e-reader (samen met de Kobo Clara Colour) eindelijk kleur ondersteunt. Kleur e-ink bestaat ook al jaren, maar was enkel te verkrijgen bij de mindere merken. Kobo is nu de eerste grote marktspeler die zich eraan waagt, en ik zag dit als signaal dat de technologie misschien eindelijk de moeite waard is. Neem daar bovenop dat je met de Libra Colour ook (in kleur!) notities kan nemen, en dat aan een lagere prijs dan de daarop gespecialiseerde toestellen, en de keuze was in feite gemaakt.
Al die functionaliteit maakt dat de Libra Colour eigenlijk een allegaartje van allerlei bestaande producten is. Je kan er klassieke e-books mee lezen, maar de extra laag e-ink die nodig is voor de kleuren maakt het scherm veel donkerder. Wie de monochrome contrasten meer naar voren wil zien komen, gaat dus ook overdag veel meer het frontlight moeten gebruiken.
En dit werkt helaas ook in de andere zin. De Libra Colour is zeker in staat tot het lezen van bijvoorbeeld graphic novels, maar de kleuren zijn een pak fletser dan op papier of een klassieke monitor. Het lezen van oudere strips, die uiteindelijk toch bestemd waren voor een grauwer soort gazettenpapier, zal nog mooi lukken. Maar wie hoopt te kunnen genieten van moderne comics, vaak digitaal getekend en met knallende kleuren, die gaat teleurgesteld zijn in de pastelachtige output van de Libra Colour. Er is wel veel plezier in het doorbladeren van de catalogus en al die boekcovers in kleur te zien. De kleuren kunnen misschien ook beter tot hun recht komen bij het lezen van kookboeken of reisgidsen, maar dat is niet mijn type lectuur.
Vergelijking met de eerste pagina van ‘Watchmen’ van Alan Moore.
Ten slotte nog enkele woorden over de notitiefunctionaliteit. Of ik hier veel gebruik van ga maken weet ik niet, maar het is fijn dat het er is en dat het zo ver uitgebouwd is. De software kan bijvoorbeeld je handschrift herkennen en omzetten naar getypte tekst indien gewenst, en het ondersteunt ook het maken van diagrammen. Handig voor wie bijvoorbeeld een mindmap wil maken. De gespecialiseerdere digitale notitietoestellen zijn een pak duurder, en ondersteunen geen kleuren, maar ze hebben ook een veel groter scherm. Na amper twee minuten testen merkte ik al snel dat er bitter weinig bouwgrond is op de Libra Colour, dus notities spreiden over meerdere pagina’s zal nodig zijn. Noteren binnen in de e-books is dan weer wel prettig, maar daar heb je een stylus voor nodig die de aankoopprijs ook aandikt.
Samengevat ben ik tevreden met mijn aankoop, maar ik vermoed dat de Libra Colour slechts voor een beperkt publiek het ideale toestel is. Wie enkel klassieke e-books leest kan het evengoed houden bij een monochroom toestel; de prijs is lager en het scherm helderder. Fanaten van comics lezen beter op tablet. Wie veel notities neemt kan misschien beter door de zure appel bijten en een gespecialiseerder toestel aanschaffen want de extra schermgrootte zal welkom zijn.
Weet waar je aan toe bent. Ondanks dat Kobo zich op kleur e-ink heeft gestort staat de technologie duidelijk, en nog steeds, in zijn kinderschoenen. Ikzelf ben, net als de Libra Colour, óók een allegaartje en dus ben ik ermee tevreden.
Abigail is de nieuwste film van het trio Radio Silence, dat bestaat uit co-regisseurs Matt Bettinelli-Olpin en Tyler Gillett enerzijds en producent Chad Villella anderzijds. De voorbije vijf jaar heeft Radio Silence grote successen geboekt binnen het horrorgenre met de twee recentste Scream-films en Ready Or Not. Als grote fan van deze films, en van Melissa Barrera die na Scream ook in Abigail de rol van ‘final girl’ op zich neemt, móest ik deze dus zien.
Melissa Barrera, centraal en in focus, speelt Joey in Abigail. (Foto: Universal)
De film start met Joey (Melissa Barrera) die wordt opgepikt door de rest van het team. Frank (Dan Stevens) leidt het team en ze zijn allen ingehuurd om een meisje, Abigail (Alisha Weir), te ontvoeren. Haar vader is een machtig man en ze zijn dus uit op losgeld. De ontvoering verloopt vrij vlekkeloos maar al snel loopt er een en ander mis en gaan de koppen aan het rollen, de personages beginnen elkaar te wantrouwen, en ze gaan op onderzoek.
En hier trapt Hollywood voor de zoveelste keer in de valstrik van film en advertentiecampagne niet op mekaar af te stemmen, en daardoor valt eigenlijk de eerste drie kwartier van Abigail in duigen. De trailer en zelfs enkele posters geven het grote mysterie onmiddellijk prijs, en dit terwijl de film zijn uiterste best doet om drie kwartier lang de spanning naar de onthulling op te bouwen. De dramatische ironie die dit teweeg brengt slaat compleet de bal mis, en je zit dus gewoon te wachten tot de personages op dezelfde golflengte zitten als het publiek. Jammer.
De bijna complete cast van Abigail. (Foto: Universal)
Alisha Weir, Dan Stevens, en Melissa Barrera zetten schitterende prestaties neer en de rest van de cast hinkt niet ver achterop. Het voelt geenszins aan alsof er personages zijn toegevoegd louter om de liters bloed op te hogen, wat in horror wel vaker gebeurt. De ontknoping wankelt een beetje maar in feite is dit gewoonweg een leuke popcornhorror waarbij je af en toe goed kan lachen. Vergelijkingen met de eerdere film Ready Or Not, ook van Radio Silence, zijn niet onterecht.
Abigail is echt wel een uitstekende film. Wie wil griezelen én lachen kan deze maar best gaan kijken, en dan liefst zonder voorkennis. Bekijk geen trailers, wandel voorbij de posters in de bioscoop, lees geen andere recensies. Deze post is niet voor niets kort en vaag.
De trailer kan je hieronder bekijken op eigen risico.
Godzilla viert dit jaar zijn 70ste verjaardag. Hieperdepiep, hoera! De titaan zag in 1954 het levenslicht als metafoor voor kernwapens. Niet voor niets dus dat de king of the monsters ontsproot in het getraumatiseerde Japan, nog geen tien jaar na Nagasaki en Hiroshima, en dat zijn meest aangrijpende incarnaties steevast uit Japanse potgrond komen. Denk maar aan Shin Godzilla uit 2016 of Godzilla Minus One van het afgelopen jaar. Die laatste sleepte zelfs een Oscar in de wacht, een primus voor de franchise.
Godzilla Minus One won de Oscar voor beste visuele effecten.
Dit ontroerende Assepoesterverhaal kan echter niet doorgetrokken worden over de hele lijn. Zoals bij vele franchises kan een kat haar jongeren niet terugvinden in de warboel van licenties en rechten rondom Godzilla en zijn vele kaiju-costerren. Zonder ver uit te wijden hoeft u enkel te weten dat er vandaag de dag óók Godzillafilms komen uit Hollywood, die los staan van de Japanse, en waarin men de trend van een overkoepelend universum nastreeft. Godzilla x Kong: The New Empire is de vijfde film in het zogenaamde Monsterverse van Legendary Pictures, en ook in dít filmuniversum kunnen we intussen spreken van een gordiaanse knoop.
Nochtans is het concept achter deze film eenvoudig genoeg. Aan het einde van de vorige film, Godzilla vs. Kong, heeft Kong eindelijk een nieuwe thuis gevonden. Als laatste van zijn soort is hij echter hopeloos eenzaam. Goed, opzet van het hoofdpersonage is dus duidelijk: Kong heeft nood aan soortgenoten en sociaal gezelschap. Hij vindt die vrij snel, doch zij het onder tiranniek bewind van de Skar King. Hoppakee, onze antagonist! Simpel, toch?
Skar King, antagonist in Godzilla x Kong. (Foto: Legendary/Warner Bros.)
Was het maar. Regisseur Adam Wingard laat briljante momenten zien, scènes waarin ettelijke minuten aan een stuk gecommuniceerd wordt zonder dialoog, die mij bijvoorbeeld deden denken aan Primal van Genndy Tartakovsky. Maar Wingard kan zich blijkbaar niet bedwingen en onderlijnt telkens weer deze woordloze emotiewisselingen van de titanen met rotsaaie, menselijke personages die enkel een spreekbuis vormen ter expositie. Godzilla x Kong respecteert de intelligentie van zijn publiek niet en schuift overal dode momenten tussen om te tolken voor de kleinste gemene noemer.
Daarnaast is het inhoudelijk ook een farce. Kong moet een tand laten trekken en Godzilla vindt zijn gouden mandje in Rome. Bij de eerste confrontatie met de Skar King kan Kong hem in principe meteen de baas, wat het moeilijk maakt om ook maar enige spanning op te bouwen naar de ontknoping toe. Legendary heeft dit misschien zichzelf aangedaan door zo snel uit te pakken met Ghidorah en Mechagodzilla in vorige films, maar niettemin is een aap als antagonist toch wel een hele stap terug. De geloofwaardigheid moet inboeten. In feite voelt het aan alsof dit in oorsprong een standalone Kong film moest zijn, en men er nadien kost wat kost Godzilla heeft ingepropt om de ticketverkoop aan te dikken. Aap tegen aap, daar is een geloofwaardige film in te vinden. Aap tegen Godzilla hebben we in 2021 al gezien, en we weten hoe dat eindigt.
Maar het visuele natuurlijk. Godzilla x Kong is gewoonweg een prettig kleurrijke film. De beelden uit de thuiswereld van Kong zijn adembenemend en het kind in ieder van ons ontwaakt wanneer de titanen wereldmonumenten vernielen en met elkaar aan het worstelen gaan. Ongeacht wat voor brokkepap het plot ook mag zijn, niets zal dat veranderen. Verder introduceert de film ook een nieuw personage genaamd Trapper, een allegaartje van Steve Irwin, Ace Ventura, en Starlord. Een verfrissende aanwinst voor de cast.
Trapper, de tandarts van Kong. (Foto: Legendary/Warner Bros.)
Wie goesting heeft om gewoonweg enkele kaiju mekaar meppen te zien geven, die gaat aan zijn trekken komen met deze recentste toevoeging aan het Monsterverse. Met de juiste verwachtingen en het kritisch denkvermogen uitgeschakeld is Godzilla x Kong een aangename ervaring en zeker het bekijken in de bioscoop waard. Voor een monsterfilm met – naar het schijnt – meer diepgang, moeten we echter blijven wachten op de Japanse film Godzilla Minus One, die in onze bioscopen maar een beperkte release kende.